De eenzame

in ontmoeting

met het Oneindige

 

Deze gedichten zijn ontleend aan een toneelstuk dat ik schreef begin 1954.

Afbeelding: Scan van het gedicht, 55 jaar geleden gepubliceerd in het tijdschrift Tolk.

 

Gespannen

De tijd houdt me gevangen
De avond viel vroeg
Duisternis drong onweerstaanbaar op
Niemand kon de nacht nog weren
De kamer staat strak tot in zijn hoeken
Onmerkbaar voor het oog, voelbaar
deint zij op de onzekere golven
Ze is kaal, ze is vlak, ze is vlakte
Ze staat gespannen
Haar muren buigen tot gewelven
Alles krimpt, alles dreigt en drukt

 

 

Nee

Als deze diepheldere gedachten doorvreten
Wat rest me dan?
De herinnering aan een grote brand
Die een onafzienbare vlakte achterliet
Een wereld nieuw te bouwen
Of de dood, hopeloos gestorven
In vertwijfeling
Nee, dit wil ik niet
 

Angst

Ik sta in de vlakte.
De kale grijze vlakte zet zich zinderend uit
Streeft de hemel voorbij
Schrale wind schuurt de lege vlakte nog vlakker
De oneindige vlakte vangt het zonnevuur
Dat haar nog platter schroeit
De brand in de onafzienbaar brede vlakte
Verschroeit het denken in mijn hersens


Schreeuw


Ik schreeuw tegen het duister
Doorschreeuw de lege vlakte
Ik kan ze niet overschreeuwen
Blijf eenzaam in het grenzenloze
Alles schreeuwt in mij
Buiten mij is alles dood
De zinledige woestijn
Het dove zand, het niets
Waarom moet ik mezelf overschreeuwen
Mezelf leeg schreeuwen in het niets
Is mijn schreeuwen dan zo zinloos
Zo’n ijdele zelfwaan
Dat Gij mij niet hoort


Vergetelheid


Kijk ik om
Mijn spoor loopt dood
In de tijd gestold
Brandend leven slaat
Mij door het bloed
Vlamt bloeiend op
In verre oneindigheid
Vergetelheid blijft
En is van betekenis


Spiegelvlakken


Op gladde voeten
Sta ik gewichtloos bleek
In bikkelharde spiegelvlakken
Van een vale levenstroom
Zo stolden mijn gedachten tijdloos
Verstilde de stroom in onbeweeglijkheid
De tijd staat stil. Het Niets bedreigt
Gespannen stijgt mijn angst
Mijn zweet breekt door de poriën
Het ritme van het volle leven
Stolt schel getekend
In vurig lijnenspel
Ademt nog, al staat het stil
Het breekt het starre spiegelbeeld
Vertekent mijn zelfportret
In overdreven ovalen lijnenspel
Tot een hopeloos gedrocht
Ik hang geboeid te kijken
Naar die heldere beweeglijkheid
Waar het Niets beweegt
Dit ontdooit mijn dode geest

Een vurige vlam schiet door mijn leden
Ritme snijdt en krast over het ijs
Het ijs kruit op en schuift omhoog
Een windstoot rolt de golven op
Is voorbij, stervend in de verte
Ik word omhoog gesmeten
Ik zweef, dalend op de vlakte
Die nu weer glad en strak staat
Maar ze stroomt

De spiegelbeelden trekken mee
Hoge straten, eindeloos lang
Drijven mij weerszij voorbij
Deftige gevels schommelen waardig
Verbergen overmoedig hier en daar
Een scheur, het geweten van de tijd
Waar pronte gordijnen
Het inzicht wazig bewaken
Of naar beneden open lopen
Voor het uitzicht naar de buitenkant
Zij vormen heldere verlichte vlakken
Waar gestalten, opgeblazen dun, bewegen
Zij roepen mij. Hun gebaren spreken
Hun geluid blijft uit
Dit alles zal vervloeien in het ijle verschil
Dat tussen ons getrokken staat.
Anderen gapen stom en wezenloos
Rijden mee als gevangenen naar het kamp
Tot hun levenskaravaan ergens in de tijd
Op een afgrond loopt


Gedachten


Mijn gedachten stillen
Stoten dood, en moedeloos
Vallen mij de ogen dicht
Slaap hing boven mij
Een wazig wolkje in een heldere hemel
Landde met platte voeten
Op mijn gladde schedelbasis
Drukte alsmaar zwaarder tot ik
In het onbewuste werd gedrukt
En schele dromen komen zag….

Ik word in hol getrokken straten
Oneindig diep omlaag gezogen
Plat lig ik op de modderstroom
Walgend van stank en damp
Die uitslaan van het ontbindend leven
Daaronder zingt een lauwe toon
Gevels buigen over mij, maskers
Hangen uit de ramen en gapen groot
Bloed druipt warm nog
Uit hun afgesneden keel.
Alles buigt en hangt nog dieper door
Koud breekt mij het angstzweet uit
Nu zal alles vallen, eindeloos

Ik wrijf mij de ogen uit
Glimlach stil om alle werkelijkheid
Ik zoek mezelf, zie me nu met grote ogen
Onwetend in oneindigheid verlopen
De zon priemt loodrecht op mijn kop
Of staat de dood midden aan de hemel
Mij beloerend om plotseling toe te slaan
Als ik mijn grenzen overschrijd
Grillige zandwoestijnen
Glijden traag en dof
Over hol gebogen ogen
De wind blaast schraal
Zengt het dovend zand
Droogt het glanzend ogenvlies
Wazig zie ik nog
Af en toe groene oasen wuiven
Heel ver als hemelhoge duiven
Trekken zij aan mij voorbij

Heimwee brengt herinnering
Geluk van medelijden
Dat ik vroeger heb gekend
Nu staat het ongeloof in alle ogen
Van geïnteresseerden die mij uitgeleide doen
Als het afscheid dat in hun harde blik
Als vanouds geschreven stond
Ik zwerf weer verder, vervolg
In de wanhoop van mijn eenzaamheid


Eindeloos


Ik en jij lopen eindeloos verder
Diep in enge gangen
Dood staat midden aan de hemel
Dakgoten werpen hun schaduw
Loodrecht langs de ramen
Dreunmuziek slaat bij vlagen in de straat
Daarboven golven melodieën
In monotoon solospel.
Alles staat stil in het wit

De dood loert onbeweeglijk
Schokkend en eentonig glijdt de zwarte
Schaduw over bonkige kinderkopjes
Beelden vloeien samen, laten weer los
Wij spreken over liefde
Koesteren hemelhoge idealen
Liefde blijft ondanks alle tijd
De dood kan alleen maar zuiveren

Een wolk lawaai botst tegen ons op
Schreeuwende stemmen
Slaan ons om de oren
De deur van het café vliegt open
Bonkende vechters brullen
Er vloeit bloed
De dood heeft toegeslagen
Ziet toe volkomen onbewogen
Gisteren ben jij gestorven
Waarom kan dat niet
Morgen sta ik aan je graf
Ik zie je lijk ondenkbaar diep
In warme aarde zinken
Als ik aan je denk
Zink jij nog dieper

Mijn verlangen spant zich tot verbazing
Je dode beeld weerkaatst de echo
Van mijn laatste roepen.
Eens blijft die weerklank uit
Je beeld lost op in vergetelheid
Toevallig duikt het soms weer op
Kouder, killer en duidelijker.
Ik zie je in gedachten, schimmig scherp omrand
Je lacht bedenkelijk om de vreugde
Waarin wij voor een moment de tijd ontgaan

Je ziet hoe ieder mens even in zichzelf verloren
Op het onbewegelijke stoot en zich moet voegen
Naar het ritme van de materie
Iemand vond wellicht het Punt
In de oneindigheid waarop hij zich fixeert
Direct wordt hij weer in de levensloop gestoten
En vervalt in de tijd door aandacht
Voor alle verschillendheid


Onbewogen


Eeuwig onbewogen staat
In diepe zelfaanschouwing
Gaat zich plotseling spiegelen
In onbenoembare verdeeldheid
Hijzelf is eenheid en onbewogen
Zijn bonte spiegeling in het materiële
Fenomenen en schijngestalten, helder en fel
Alles groeit weer naar het Ene
Of het valt weer uiteen…….


Mysterie


Eenzaam in mijzelf, dat ik niet versta
Alleen in het omgevende waarin ik besta
Felle vlam door grauwe vorm gegrepen
Hel licht, laaiend, onbegrepen
Plotseling, het vuur slaat uit, heel hoog
Stokstil, alles leeg, niets, bewoog
Zinderend bewogen niets, uitgebarsten
Trilt de hitte weg en vloeit weer kou
In mij terug die plots gebarsten
Vormen bindt zodat ik niet vluchten kan

Mysterie, ik geloof niet in het oude beeld
Dat mijn vernuft ontworpen heeft
Heilig vuur, breek de muur. Vloek het beeld


Dood


Ik ga door hoge straten
Strompel, maar dat besef ik niet
Muren buigen boven mij samen
Een straatlamp geeft een beetje licht
Geen geluid, het zoemt van eeuwigheid
Sta ik stil, de straten sluiten zich
Mijn blik schuift omhoog
Langs enge wanden van een diepe toren
Smalle vensters in de hoogte, een spleetje licht
Even dat bewustzijn
Ik was niet altijd zo

Het lome heimwee vervaagt mijn droefenis
Ik ga zitten. Nauwer wordt de ruimte
Donker is het. De wanden gaan beklemmen
Gedachten zweven in de holle kamers
Van mijn grote waterhoofd
Glazen deuren schuiven open
Zonder ooit weer dicht te slaan
In de morgen heeft men mij gevonden
Dood in bed


Vreemd geworden


God, wij zijn zo vreemd geworden van elkaar
Gij zijt weer terug, maar nog heel ver van mij
Zonde. Mijn trots, ik kon niet anders
Ik moet mijzelf gaan zoeken. Vrijheid had ik
Van scheiding wist ik niet
Mijn zelfbewustzijn heeft me opgeëist
Ik voelde me schuldig, maar ik moest
De poorten van mijn ongekende zelf
Ontsluiten. Onder de cultuur van het oppervlak
Bronnen aanboren en schatten ontdekken
Ik heb diepe gangen gegraven
Rusteloos gewerkt. Teleurstellingen
Opzij geschoven voor de schone schijn

Mijn hoogmoed, mijn zelfoverschatting
Drijfzand heb ik weg geschept
Holle gangen liet ik achter mij
Holen vol drogbeelden
Wanklanken van wanhopige fantasie
Ik delf nog diepere schachten
Zwaarder wordt de druk
Van de alsmaar dikkere aardlaag
Soms wordt de dunne lucht mij al te ijl

Ik gooi mijn spullen weg en loop terug
Holle echo’s in lege gangen
Slaat mij om de oren
Ik loop wanhopig. Mijn adem hijgt
Ik heb weer eens het licht gezien
Een ogenblik dat ik mijn wanhoop overwon
Het licht viel boven in de schacht
Licht van boven. Waarom dieper graven
Gevloekt om mijn zwakheid te vergeten
Me schamend wou ik dieper zinken
Nog onstuimiger heb ik de diepte aangeboord
Ik heb het licht gezien. Licht van boven


Zonder weerklank


Ik loop, ik roep, verdwaal
Nog verder in mijn eenzaamheid
Ik schreeuw. Wie zal me horen
Ik schreeuw nog harder, ik hoor mezelf
Nog harder schreeuw ik
Ik voel me groter, geweldiger
Ik hoor mijn eigen medelijden schreeuwen
Alles klinkt hol en leeg en zonder weerklank
Het geluid vloeit weg in het onbestemde
In oneindigheid, in eenzaamheid
Vergeten roep ik uit mijn zelf gedolven graf

Ik ben nu dood, gestorven
Aan het einde van mijn krachten
Ben ik neergevallen, bewusteloos
Met bloedend verstand
Ik droom het nutteloze
Ik voel het dode, de nietigheid
Van mijn eenzaamheid
God, ik ben weer opgestaan
Ik schreeuw niet meer zo luid
Mijn hoogmoed is gestorven
God, ik bid met diep vertrouwen
Gewonnen in mijn nietigheid
Help mij, kom. Ik kan niet komen
Ik zal wachten, wachten tot
Het duister lichter wordt
En de zon langzaam maar zeker
De nieuwe morgen brengt
De morgen van mijn wedergeboorte
 

 
gemechaniseerde ordening
 
inzicht en uitzicht
 
onvrijheid
 
projectie en concentratie
 
ruimte-economie
 
ruimte en vorm
 
ruimtelijk projecteren
 
organische structuur
 
bouwelementen