|
Voorspel
|
![]() |
|
|
De mens stond voor een nieuw probleem. Zijn ervaring kwam hem
te hulp. Zoals hij vroeger met de dieren had gedaan, zo bracht hij nu de
vruchten en gewassen in cultuur. Grote groepen nomaden pleegden
roofbouw. Ze betwistten elkaars jachtgebied, moesten zich tenslotte
verschansen en de grenzen van hun versterkte woongebied verdedigen. Deze
vestiging gaf hun gemeenschap een nieuw karakter. Zij nam vastere vormen
aan. Grenzen werden uitgezet. Normen werden opgesteld en nieuwe wetten
kregen geldigheid. Waarden werden afgebakend binnen een zich vestigende
traditie en onderscheid in rang en stand. Terwijl grote volkeren zich
organisch ontwikkelden, massale legers organiseerden en de hiërarchie
van rang en stand naar volmaaktheid streefde, vond de boer zijn ploeg
uit. Zo kreeg de boer meer afzetmogelijkheden voor zijn afzetproducten. Betere machines verlaagden de kostprijs van producten en de arbeider kreeg een hoger loon. Toen de hoge lonen de arbeidskrachten van de boerenakker naar de fabriek lokten, moest ook de boer gaan mechaniseren. Mechaniseren in de landbouw is niet eenvoudig. Het landbouwgebied is erg versnipperd en de opvattingen van de eigenaren evenzeer. Zolang de voorwaarden voor mechanisering (standaard, centraal, in- en extensief) niet voldoende aanwezig zijn, zal de agricultuur qua arbeidsloon, effectiviteit en winst niet kunnen concurreren met de industrie. Een verstandige staat zal de prijzen zodanig beheersen en garanderen, dat het platteland niet ontvolkt, maar loopt hiermee het risico noodzakelijke ontwikkelingen in de landbouw in de weg te staan. Boerenbonden kunnen hun leden voorlichten inzake economie en techniek. Zij kunnen aan- en verkoop in coöperatief verband voor de boer een gunstige wending geven, maar de boer beslist zelf, ook al kiest hij om liever achter te blijven. Het verderfelijke standpunt van het recht van de sterkste (dat rechtvaardiging zoekt in de wetmatigheid van de evolutie) doet nu eenmaal economische wonderen. Alleen het even onmenselijke principe van staatsalmacht (als de kortste weg naar de grote toekomst op dezelfde basis) kan dit effect evenaren. Voorwaarde voor beide systemen is natuurlijk dat voldoende mensen bereid zijn in deze ontmenselijkte systemen mee te spelen. Wat krijgen we te zien als het tweede systeem van rigoureuze staatsalmacht zich zou verwezenlijken? Dan eist de staat alle land op, verkavelt het tot grote vierkanten, voert overal moderne grondverbeteringen uit, berekent het hoogste rendement per perceel en mechaniseert het totaal. Alle middelen van wetenschap en techniek worden uitgebuit om tot hogere productie en winst te komen.
De machine zal de boer van het land naar de bureaustoel
verdrijven. De boer zal via vergelijkende grafieken, chemische en
technische principes het hoogst mogelijk rendement voor het stuk
staatsland dat onder zijn ressort valt moeten berekenen. Zoals in de
industrie zal dan het arbeidsloon een gering percentage van de
productiekosten uitmaken en de werkgelegenheid loopt met sprongen terug.
Een dergelijk versocialiseerde staat zou op advies van sociologen met
jarenlange ervaring in statistiek en massapsychologie het
mensenmaterieel op de juiste manier verplaatsen en in aangepaste
werkmogelijkheden inlijven. De enorme winsten zouden de kosten van een
massa vrije tijd en jarenlange studie voor iedereen, die voor de
handhaving van de heersende ideologie en techniek nodig zijn, ruim
dekken. De vrijheid van het uiteindelijk aards paradijs zal echter altijd
beperkt blijven tot de ideologische slagzin. Daar zal zulk een staat
tenslotte ook aan te gronde gaan. Zijn slaap is vast en zonder dromen, zijn gedachten leggen zich te rusten bij de overtuiging dat zijn gerei groeit en rijpt. Als de morgen hem wekt, neemt hij het werk van de vorige dag weer op. Hij is godsdienstig en gelovig. De spelingen van de natuur, de mysterieuze vruchtbaarheid, het onberekenbare weer, langdurige droogte, overvloedige regen, de onbegrijpelijkheid van ziekte en dood doen hem zijn onmacht en afhankelijkheid erkennen. Elke geboorte is een openbaring, iedere oogst is toch weer verrassend. Hij dankt God voor de goede oogst en bidt dat de volgende niet slechter zal zijn. De boer is vergroeid met zijn gewassen. Hij heeft het karakter van zijn landschap aangenomen. Hij geeft in noeste arbeid zijn akker het merkteken van zijn wezen.
Aan zijn
land en goed kan men hem kennen. In zijn vee ontmoet men zijn
persoonlijkheid, zijn zorg , zijn keuze, zijn contact met zijn dieren.
Hij is een scheppend mens. Zijn arbeid is een ontmoeting met zijn
dieren, grond en planten. Zijn leven breidt zich uit in zijn have en
goed. Hij doorleeft de dingen en de natuur en voelt zich verbonden met
de medemensen die de grote werkelijkheid van de natuur ervaren en
waarderen. Hij herschept de chaos van overvloedige groeikracht tot een
geordende en productieve oogst. De dorre vlakte verandert onder zijn
handen in een veelbelovende akker. De schoonheidservaring van het
landschap waarin plant en dier hun juiste proportie en betekenis
krijgen, staat hem op het gezicht geschreven. Hij voelt zich met grond
verbonden, zijn gezin is zijn woning, zijn boerderij zijn bezit. Het
beeld van de boer dat ik hierboven heb geschetst, is overdreven, erg
algemeen en afgestemd op zijn diepere ondergrond. Het betreft het
fenomeen boer in zijn cultuur historisch perspectief. Maar iedere boer
is iemand anders. De een is zakelijker, de ander is godsdienstiger, etc.
Ook de tijd maakt deze verschillen groter. Maar bij deze geschetste ontwikkeling blijft de toekomst niet stil staan en de mensheid zal haar volgen. Ook het gesaneerde en verkavelde land zal in beslag genomen worden door de uitbreidende industrie. Het landbouwarsenaal komt in het gedrang, grote ontginningen, grootscheepse cultivering van onontwikkelde gebieden en wellicht worden afgebakende stukken van de zee voor algenkweek en gerationaliseerde viskwekerij in cultuur gebracht. Tegen die tijd is de industrialisering zo geperfectioneerd dat ze de functie van de agricultuur volledig overneemt. Voor het fenomeen boer is in zijn rustieke en klassieke betekenis dan geen plaats meer. Zoals de herder is uitgestorven terwijl de pastorale nog steeds van zijn invloed en betekenis getuigt, zo is het einde van de boet in zicht. De boerencultuur wordt echter vastgelegd in de archieven van de beschavingsgeschiedenis.
Een machtige agro-industrie
(hoewel de benaming zijn zin verloren heeft) zal producten leveren van
elke gewenste vorm, kleur, smaak, voeding- en gebruikswaarde. Kennis van
synthese, atomaire groeikracht, reageermogelijkheden van het
laboratorium en uitvindingen waar we nu nog geen vermoeden van hebben,
zullen de taak van chlorofyl en vruchtbaarheid overnemen. Grote
bouwkundigen zullen de ruimte organisch indelen: ◦ het hart van de
maatschappij is een geautomatiseerde industrie ◦ de slagaders: een
verkeersnet van enorme capaciteit ◦ de hersenen: een scala van scholen
en overheidsgebouwen ◦ de longen: het groen van een herschapen natuur ◦
een variatie van klieren en nieren: terreinen en gebouwen voor recreatie
en vrije tijd, cultuurcentra, etc. ◦ de zenuwen: gebouwen en apparaten
voor bestuur, communicatie, organisatie, sociale voorzieningen,
infrastructuur, etc. In deze richting zou de toekomst zich kunnen
ontwikkelen. Waarschijnlijk wordt het allemaal anders. Van het fenomeen
boer blijft echter niets over dan geschiedenis en een rijker collectief
onbewuste. |