Over de boer

Voorspel

De wil om te leven, een van de meest primitieve en elementaire vormen van bewustzijn, kan gezien worden als het belangrijkste motief voor de ontwikkeling van de cultuur. De mens moest leven. Hij verzamelde de wrange vruchten van de wildernis, maakte de beesten af die zich in zijn vallen lieten lokken, hij had te eten.



 

haardbalk


Cultuur

De cultuur van rondzwervende jagersvolken was het eerste stadium van menselijke beschaving, zouden de geleerden zeggen. Het aantal mensen groeide, het wild werd uitgedund en schuwde de woonplaatsen van de mens, deze van hun aard vervreemde soortgenoot. Slimme mensen bekommerden zich om hun toekomst. Zij lokten, temden en vertroetelden het dier tot zijn vrijheidsinstinct verloren ging en het tam zijn ras verloochende voor een onbezorgd leven. Slaafs werd het van de ene vlakte naar de andere gedreven, die verdorden onder zoveel vraatzucht. De belangrijkste ontdekking aller tijden, het maken van vuur, veranderde het gezicht van de aarde. Het vuur liep over uigestrekte wouden en liet een verkoold landschap achter, maar de vruchtbaarheid van eeuwenoude afval brak door in een zee van groen. De vruchten werden zeldzamer en groeiden meer verspreid.

De mens stond voor een nieuw probleem. Zijn ervaring kwam hem te hulp. Zoals hij vroeger met de dieren had gedaan, zo bracht hij nu de vruchten en gewassen in cultuur. Grote groepen nomaden pleegden roofbouw. Ze betwistten elkaars jachtgebied, moesten zich tenslotte verschansen en de grenzen van hun versterkte woongebied verdedigen. Deze vestiging gaf hun gemeenschap een nieuw karakter. Zij nam vastere vormen aan. Grenzen werden uitgezet. Normen werden opgesteld en nieuwe wetten kregen geldigheid. Waarden werden afgebakend binnen een zich vestigende traditie en onderscheid in rang en stand. Terwijl grote volkeren zich organisch ontwikkelden, massale legers organiseerden en de hiërarchie van rang en stand naar volmaaktheid streefde, vond de boer zijn ploeg uit.
Ridders, soldaten en klaplopers, een verwilderde uitwas van een maatschappij in zijn strijd om het bestaan, dongen naar de gunst van de monarch. Ze wisten boer horig aan zich te maken, maar de boer, hij ploegde voort. De handwerkers die een vak geleerd hadden ten gerieve van de heren, richten de eerste organisaties (de gilden) op. Zij gingen met gelijken samenwonen in steden en dreven handel met boeren die in toenemende mate hun land in eigendom verwierven.

Vooruitgang
De stoommachine maakte een einde aan de zelfstandigheid van handwerkvakman. Fortuinlijke zakenlieden bouwden werkplaatsen en fabrieken. Door hun onbarmhartige concurrentie degradeerden zij de vakman tot proletariër. De machine, een krachtbron met een onbuigzaam karakter, sloeg in slaafse gehoorzaamheid aan strenge wetten van economie, de weg in naar de vooruitgang. Haar ontwikkeling was zo beloftevol, haar toekomstige almacht leek zo onmetelijk, dat de maatschappij zich naar haar wetmatigheid hervormde. Overmoedige geesten, verlicht door deze voorspellingen, zagen de God van hemel en aarde aan voor een hersenschim van bange mensen. Zij verklaarden de moderne economie en haar evolutie tot principe en voorwaarde voor het uiteindelijk menselijke paradijs. De proletariërs verstonden de wekroep van hun leiders. Zij verenigden zich en zijn stelden voorwaarden voor hun medewerking aan het productieproces. Zij verhoogden hun levensstandaard.

Zo kreeg de boer meer afzetmogelijkheden voor zijn afzetproducten. Betere machines verlaagden de kostprijs van producten en de arbeider kreeg een hoger loon. Toen de hoge lonen de arbeidskrachten van de boerenakker naar de fabriek lokten, moest ook de boer gaan mechaniseren. Mechaniseren in de landbouw is niet eenvoudig. Het landbouwgebied is erg versnipperd en de opvattingen van de eigenaren evenzeer. Zolang de voorwaarden voor mechanisering (standaard, centraal, in- en extensief) niet voldoende aanwezig zijn, zal de agricultuur qua arbeidsloon, effectiviteit en winst niet kunnen concurreren met de industrie. Een verstandige staat zal de prijzen zodanig beheersen en garanderen, dat het platteland niet ontvolkt, maar loopt hiermee het risico noodzakelijke ontwikkelingen in de landbouw in de weg te staan. Boerenbonden kunnen hun leden voorlichten inzake economie en techniek. Zij kunnen aan- en verkoop in coöperatief verband voor de boer een gunstige wending geven, maar de boer beslist zelf, ook al kiest hij om liever achter te blijven.

Het verderfelijke standpunt van het recht van de sterkste (dat rechtvaardiging zoekt in de wetmatigheid van de evolutie) doet nu eenmaal economische wonderen. Alleen het even onmenselijke principe van staatsalmacht (als de kortste weg naar de grote toekomst op dezelfde basis) kan dit effect evenaren. Voorwaarde voor beide systemen is natuurlijk dat voldoende mensen bereid zijn in deze ontmenselijkte systemen mee te spelen. Wat krijgen we te zien als het tweede systeem van rigoureuze staatsalmacht zich zou verwezenlijken? Dan eist de staat alle land op, verkavelt het tot grote vierkanten, voert overal moderne grondverbeteringen uit, berekent het hoogste rendement per perceel en mechaniseert het totaal. Alle middelen van wetenschap en techniek worden uitgebuit om tot hogere productie en winst te komen.

De machine zal de boer van het land naar de bureaustoel verdrijven. De boer zal via vergelijkende grafieken, chemische en technische principes het hoogst mogelijk rendement voor het stuk staatsland dat onder zijn ressort valt moeten berekenen. Zoals in de industrie zal dan het arbeidsloon een gering percentage van de productiekosten uitmaken en de werkgelegenheid loopt met sprongen terug. Een dergelijk versocialiseerde staat zou op advies van sociologen met jarenlange ervaring in statistiek en massapsychologie het mensenmaterieel op de juiste manier verplaatsen en in aangepaste werkmogelijkheden inlijven. De enorme winsten zouden de kosten van een massa vrije tijd en jarenlange studie voor iedereen, die voor de handhaving van de heersende ideologie en techniek nodig zijn, ruim dekken. De vrijheid van het uiteindelijk aards paradijs zal echter altijd beperkt blijven tot de ideologische slagzin. Daar zal zulk een staat tenslotte ook aan te gronde gaan.

De boer
Voordat we verder fantaseren over de situatie waarin de boer zich bevindt, willen we eerst zien wie die boer eigenlijk is. Op het eerste gezicht zouden we hem maatschappelijk rangschikken onder de kleine zelfstandige met het ontwikkelingspeil van de arbeider. Hij lijkt een beetje stug, wars van alle plichtplegingen, hij is bijzonder gastvrij, hij is eigenwijs, houdt vast aan goede traditie, maar erkent de waarde van nieuw idee, zodra het geld opbrengt zonder zijn zelfstandigheid aan te tasten. De boer is een rustig mens. De stilte waarin de groeikracht ontluikt, de lange duur van groeien tot de vrucht rijp is voor de oogst, de verlatenheid van de akker waar vruchtbaarheid werkzaam is. Deze afhankelijkheid van zoveel dingen die hun beloop moeten hebben, maakt hem tot iemand die kan wachten, die gestaag doorwerkt zolang het licht dat toelaat. Hij weet dat zijn toewijding in een nieuwe oogst wordt beloond.

Zijn slaap is vast en zonder dromen, zijn gedachten leggen zich te rusten bij de overtuiging dat zijn gerei groeit en rijpt. Als de morgen hem wekt, neemt hij het werk van de vorige dag weer op. Hij is godsdienstig en gelovig. De spelingen van de natuur, de mysterieuze vruchtbaarheid, het onberekenbare weer, langdurige droogte, overvloedige regen, de onbegrijpelijkheid van ziekte en dood doen hem zijn onmacht en afhankelijkheid erkennen. Elke geboorte is een openbaring, iedere oogst is toch weer verrassend. Hij dankt God voor de goede oogst en bidt dat de volgende niet slechter zal zijn. De boer is vergroeid met zijn gewassen. Hij heeft het karakter van zijn landschap aangenomen. Hij geeft in noeste arbeid zijn akker het merkteken van zijn wezen.

Aan zijn land en goed kan men hem kennen. In zijn vee ontmoet men zijn persoonlijkheid, zijn zorg , zijn keuze, zijn contact met zijn dieren. Hij is een scheppend mens. Zijn arbeid is een ontmoeting met zijn dieren, grond en planten. Zijn leven breidt zich uit in zijn have en goed. Hij doorleeft de dingen en de natuur en voelt zich verbonden met de medemensen die de grote werkelijkheid van de natuur ervaren en waarderen. Hij herschept de chaos van overvloedige groeikracht tot een geordende en productieve oogst. De dorre vlakte verandert onder zijn handen in een veelbelovende akker. De schoonheidservaring van het landschap waarin plant en dier hun juiste proportie en betekenis krijgen, staat hem op het gezicht geschreven. Hij voelt zich met grond verbonden, zijn gezin is zijn woning, zijn boerderij zijn bezit. Het beeld van de boer dat ik hierboven heb geschetst, is overdreven, erg algemeen en afgestemd op zijn diepere ondergrond. Het betreft het fenomeen boer in zijn cultuur historisch perspectief. Maar iedere boer is iemand anders. De een is zakelijker, de ander is godsdienstiger, etc. Ook de tijd maakt deze verschillen groter.

Toekomst
De gebondenheid van de boer, zijn afhankelijkheidsbesef, zijn religieuze houding wordt losser in en tijd waarin de machine, chemie en techniek een grotere rol spelen. Dat wordt vooral duidelijk als we ingaan op het beeld dat de toekomst ons in het vooruitzicht stelt. Het landschap, de streek en al het eigene hiermee gegeven zal verdrinken in het vierkante van de verkaveling, geëgaliseerd en gesaneerd tot een plat vlak. Scheikunde en technisch vernuft onttrekken er in kunstmatige vruchtbaarheid het hoogste rendement aan. De productievlakte wordt afgezoomd en doorsneden door harde kaarsrechte wegen die haar rechtlijnig verbinden met de afzetmarkt. De sociale voorwaarden voor deze ontwikkeling kunnen echter verschillend zijn. ◦ De liberale opvatting dat de zwakkeren bij en vrije economie vanzelf worden dood geconcurreerd. ◦ De socialistische idee dat de staat zich alles toe-eigent. ◦ Het initiatief van de boeren zelf om familie- en buurtvennootschappen of coöperatiebedrijven te stichten en ten slotte ◦ De gematigde houding van een staat om die de economie streng leidt en geleidelijk de voorwaarden voor een gezonde ontwikkeling schept.

Maar bij deze geschetste ontwikkeling blijft de toekomst niet stil staan en de mensheid zal haar volgen. Ook het gesaneerde en verkavelde land zal in beslag genomen worden door de uitbreidende industrie. Het landbouwarsenaal komt in het gedrang, grote ontginningen, grootscheepse cultivering van onontwikkelde gebieden en wellicht worden afgebakende stukken van de zee voor algenkweek en gerationaliseerde viskwekerij in cultuur gebracht. Tegen die tijd is de industrialisering zo geperfectioneerd dat ze de functie van de agricultuur volledig overneemt. Voor het fenomeen boer is in zijn rustieke en klassieke betekenis dan geen plaats meer. Zoals de herder is uitgestorven terwijl de pastorale nog steeds van zijn invloed en betekenis getuigt, zo is het einde van de boet in zicht. De boerencultuur wordt echter vastgelegd in de archieven van de beschavingsgeschiedenis.

Een machtige agro-industrie (hoewel de benaming zijn zin verloren heeft) zal producten leveren van elke gewenste vorm, kleur, smaak, voeding- en gebruikswaarde. Kennis van synthese, atomaire groeikracht, reageermogelijkheden van het laboratorium en uitvindingen waar we nu nog geen vermoeden van hebben, zullen de taak van chlorofyl en vruchtbaarheid overnemen. Grote bouwkundigen zullen de ruimte organisch indelen: ◦ het hart van de maatschappij is een geautomatiseerde industrie ◦ de slagaders: een verkeersnet van enorme capaciteit ◦ de hersenen: een scala van scholen en overheidsgebouwen ◦ de longen: het groen van een herschapen natuur ◦ een variatie van klieren en nieren: terreinen en gebouwen voor recreatie en vrije tijd, cultuurcentra, etc. ◦ de zenuwen: gebouwen en apparaten voor bestuur, communicatie, organisatie, sociale voorzieningen, infrastructuur, etc. In deze richting zou de toekomst zich kunnen ontwikkelen. Waarschijnlijk wordt het allemaal anders. Van het fenomeen boer blijft echter niets over dan geschiedenis en een rijker collectief onbewuste.

(Dit artikel heb ik geschreven in 1959 en in augustus gepubliceerd in het Vlaamse Tijdschrift Jong Kultuurleven.)

***