Geheim van het bestaan


In dit kader

Enkele notities die ik in 1956 heb gemaakt liggen aan de basis van dit essay. Ik was toen 26 jaar. Bij vlagen en met veel dramatisch vertoon schreef ik op wat me bewoog en wat me raakte. Als ik er doorheen blader herken ik in deze data de motieven en situaties van toen. De thema’s die me toen bewogen, doen dat nu nog.
Later vond ik geen tijd en gelegenheid voor soortgelijke notities. Ik zag ook geen kans om ze weer te geven op een begrijpelijke manier. Als ik weer eens bang was voor een burn-out sloeg ik aan het beeldhouwen. Ik zag hoe de oude thema’s in mijn verbeelding werken. Nu ik me meer los gemaakt hebt van doctrines en van wat anderen denken kan ik er beter mee omgaan. Ik probeer nieuwe essays te maken. Ik pak mijn notities uit 1956. Ik richt me op de thema’s en probeer opnieuw mijn visie te geven.



Mens en massa

De mensheid baant een diep weg naar een onzeker einde. De massa dringt in een smalle lijn door de onbegrensde vlakte. Een monster dat zonder te weten zoekt en - gevonden- vreet. Koude rillingen lopen langs zijn lange flanken. Schreeuwende honger. Het grote lijf sleept zich verder. Een schijnbeweging door de tijd? Een vloedgolf in beweging. Het massamonster met schubben van een veelkoppige menigte kruipt dieper in zijn schulp, zijn schubben sluiten dichter aaneen. Soms zinkt een kop, een schub verschoof. Andere schubben sloten weer aaneen. Een mensdier was te oud, verdween en werd vergeten in het stof van de afgelegde weg.

De afgelegde weg wordt harder, gaat voorbij aan geschiedenis. Nieuwe worpelingen, meer afval, dezelfde grote massa. Een onbarmhartige zon teistert de onzinnige lege vlakte. Oerangst trilt over de leden van het oermonster want het einde komt in zicht, wijkt weer in de horizon en blijft ongewis. Hoelang zal de kracht van het monster nog reiken? Angst spant de schubben strakker – één vlak harde schubben, het enige verweer van dit logge beest. Zijn krachten vloeien weg in de hitte van de zon en in de oneindigheid van de vlakte. Een enkeling trekt zich los, vlucht in de vlakte, bloeit op in de zon. Hij vlucht weg want de massa biedt uiteindelijk geen dekking en schubben zijn maskers. Hij komt uit zijn schub, gooit het masker af. Hij staat alleen in het oneindige, het onbegrijpelijk en is zichzelf. Hij trok de laatste band met de massa los, zijn geboortestreng. Het ene geloof dat de massa bindt, de ene weg, het enig mogelijke, waarin de massa dwaalt. Hij gaf zich onvoorwaardelijk bloot. Hij vatte de moed op om te twijfelen ondanks de uitzichtloze vlakte en de angst om opgeslorpt te worden door de leegte van het niets. Hij had het niet weg te redeneren gevoel niet zonder grond te zijn. Maar wat betekende “grond onder zijn voeten” als hij niet de kracht had om uiteindelijk aan het einde van de oneindigheid te kunnen raken?

Betekenis en twijfel
Dit gevoel was sterker dan mijn twijfel maar ik wilde het niet weten. Ik denk dat gevoel wordt opgeroepen worden door naakte bestaansdrift. Ik aanvaardde de zin van het bestaan omdat ik “moest”, maar toch… Ik concentreerde alles op mezelf, verzette me tegen het bedreigende niets, want alles was voor mij “niets”, als ik niets te betekenen had. Ook hiervan vermoedde ik dat het drogredeneringen waren. Ik was bang voor het onmogelijke, ik kon het absolute niet (be)grijpen. Ik trok een kunstmatige (be)vesting op tegen het zinledige niets. Vertwijfeld tussen angst voor het niets en verbittering tot het laatste werd ik moe in mijn strijd tegen het niets en het absolute. Ik was gebroken. Mijn wil was op.

Wat had me dan gebroken? Het niets, deze oneindige woestijnvlakte of het alles in zijn absoluutheid. Waarom was ik uitgeput. Had mijn strijd tegen een fictie geen doel. Waar vandaan kwam deze fictie? Uit de grond van mijn onvermogen? Ik voelde me alleen. Was alles wat me omgeeft een projectie van mij? Of is alles wat ik kan waarnemen een teken van leven van anderen. Als alle anderen tekenen van leven geven en ik laat zien wie ik ben hoe kan ik dan zo alleen zijn. Waarom moet ik dan zo bang zijn? Blijven alle tekenen van leven doods als ze niet intens beleefd worden? Mensen komen tot zichzelf en tot de werkelijkheid van het omgevende als zij de waarnemingen vanuit de omgevende wereld in zich opnemen. Als zij zich deze indrukken eigen maken tot een persoonlijke visie en deze expressie weer projecteren in de zee van het omgevende bestaan. Deze voortdurende golfbeweging van opnemen in persoonlijke beleving, zich geestelijk eigen maken en getransformeerd weer tot uitdrukking brengen in de buitenwereld, weer opnieuw opnemen en als maar door functioneert als de ademhaling van geestelijke groei en bewustwording.

Magie en religie
De eerste godsdiensten zijn ontstaan in de strijd om het menselijk bestaan. Het zijn pogingen om bedreigende natuurkrachten te temmen en aan te spreken. Wie de natuur een naam geeft en persoonlijk aanspreekt schept daarmee een basis van verstandhouding. De natuur laat zich kennen als een mysterium tremendum in natuurgeweld en rampspoed. De natuur laat zich ook kennen als een mysterium fascinozum in vruchtbaarheid en voorspoed. De natuur krijgt het gezicht van een Opperwezen als mensen tot hem bidden. Hoe harder de mensen bidden, de natuur in trance brengen, hem magisch manipuleren, hem overhalen en gunstig stemmen, hoe meer voorspoed. Gedreven door honger gaan de mannen op jacht. Ze smeken het Opperwezen om jachtbuit, ze tekenen de figuur van de buit op de grond, omcirkelen de jachtprooi en schieten er met pijlen op. Ze dansen, trommelen en zingen, ze bewegen ritueel hemel en aarde om een goede afloop van hun jacht.

Wie bevestiging zoekt, waarheidsmomenten of feitelijkheid wil ontdekken wordt geboeid door de creativiteit van primitieve religieuze ontwikkelingen. Hoe primitiever de cultuur, hoe meer transparant. Je ziet hoe het werkt. In deze oerervaring vechten mensen op leven en dood om hun bestaan. Het absurde en paradoxale is niet te verwerken, zoals het op hen afkomt. Daarom geven zij het onnoembare een naam, het ongrijpbare een gezicht, het gezicht krijgt een masker, het masker speelt een rol. Rollen spelen het spel van schijn en werkelijkheid, het magische spel om existentie. Natuurkrachten krijgen een eigen naam, zelfstandigheid en persoonlijkheid, om ze tegen elkaar te kunnen uitgespelen en mobiliseren voor de mensen. In het magische spel wordt het onverteerbare absurde uit de weg gegaan. Onmogelijke verantwoordelijkheid wordt afgelegd op magische zekerheden. Afzonderlijke leden verschuilen zich in het collectief. Het collectief fungeert in een rollenpatroon, waarin maskers het gezicht van de eenling bedekken. Dit spel is een oorspronkelijke reactie met een directe waarheidsexpressie. Deze existentiële situatie biedt geen gelegenheid om afstand te nemen, afstand tussen natuur en cultuur, persoon en collectief, vitale krachten en effecten, geen mogelijkheden tot objectivering en rationalisering.

Ervaring en openbaring
Knip ik mijn geboortestreng door dan word ik als uit de massa geboren, een persoon die zelf de wereld beleeft, die zich een eigen mening vormt. Deze geestelijke geboorte is een elementair en een existentieel proces, een gevecht van de eenling tegen de massa. Van het absolute tegen de het beperkte, van immanentie tegen transcendentie, het eindige tegen het oneindige. Van het ongrijpbare tegen hetgeen wij moeten accepteren om betekenis te geven en om te handelen met voldoende perspectief. Van het onnoembare tegen alle benoemingen die aan betekenis verliezen. Wij werden geboren met de vraag op de lippen “waartoe zijn wij op aarde”. Het antwoord “Om God te dienen en daardoor in de hemel te komen” stond niet ter discussie, maar het gaf wel te denken.

“Wie is God. Wat is “God dienen” en hoe kom je in welke hemel”. Waarom dit alles? Wie zijn wij, welke relatie hebben wij met elkaar en in totale geheel? Hoe bepalen wij onze eigen mening en eigen houding in en tot dit alles? Wie is God, gezien vanuit de situatie waarin je wordt geboren en opgevoed? Dat is de eeuwige, het absolute en oneindige, de drie-enige God in de personen van Vader, Geest en Zoon. De Zoon is de mens geworden God, het vlees geworden Woord dat betekenis geeft aan al wat bestaat. Deze incarnatie verbindt het absolute met het tijdelijke en onvolmaakte. Al het bestaande is aldus een afspiegeling, uitstraling en openbaring van het ongrijpbare mysterie inclusief wat zich openbaart door te bestaan. God openbaart zich in het bestaande. Mensen openbaren zich zelf in hun bestaan. De zelfopenbaring van mensen moet daarom samenvallen met de Godsopenbaring in het bestaande. De betekenis en het beeld van de Godsopenbaring is vastgelegd in de letterlijke openbaring van heilige schriften die bewaakt worden door de onze moeder de heilige Kerk. Als dit geloof je gegeven is of je ziet mogelijkheden om het te verwerven kun je vanuit deze godsdienst en binnen de Kerk leven en werken. Als dit geloof je niet gegeven is, zul je dat ook moeten accepteren.

Vormgeving en expressie
Als je even afziet van religies, godsdiensten en openbaringen kun je wel vaststellen dat de wereld waarin we leven begon met de oerknal. Het waarom van de oerknal, wat er aan vooraf ging en de buitennatuurlijke betekenis ervan zal een mysterie blijven. De oerknal uit het (n)iets. Bijna veertien miljard jaren geleden is het gebeurd. Onvoorstelbaar klein, kort, zwaar en heet was het moment van de explosie, straling, energie, oersoep. In een honderdste seconde werd het bijna een lichtjaar groot en het koelde het af tot honderd miljard graden. Na 700.000 jaar afgekoeld tot 3.000 graden konden materie en straling ontkoppelen. De materie werd dominant. De materie begon samen te klonteren. Na 1 miljard jaren komt de vorming van sterrenstelsels op gang. Nu zitten we nog midden in de oerknal.

Alle sterren verwijderen zich met grote snelheid van elkaar. We kunnen het zien en meten. Met de snelheid van het licht kijken we terug in het ontstaan van het heelal. We zien het gebeuren. Tien miljard jaar deed de kosmos erover om quarks en elektronen samen te voegen tot een DNA-streng. Er ontstond leven op aarde. Er ontstonden levende wezens, beleving, ervaring en bewustzijn. Mensen konden op hun bestaan terugkijken, hun wereld en omgeving in zich opnemen en verkennen. Zij konden relaties aangaan, aan hun leefwereld bouwen en deze cultiveren. De betekenis van de oerknal blijft een ontoegankelijk mysterie. Dat geldt evenzeer voor alle existentiële grenssituaties zoals eeuwigheid en tijdelijkheid, oneindigheid en eindigheid, het absolute en het beperkte, dood en leven, lijden en ellende.

Verbeelden
Beeldhouwen is een hobby waaraan ik veel plezier beleef. Als mij gevraagd wordt om iets te zeggen over mijn beelden, vertel ik “wat ik er achteraf van vind”, de verbeelding die ik er dan in zie. Dat is een verhaal apart! Uitleggen wat een beeld voorstelt is heel iets anders dan een beeld maken. Het maken gebeurt meestal zonder veel verhaal of bedoeling. Je vindt een stuk oud hout met noesten en barsten, half vergaan of vermolmd. Je slaat aan het hakken terwijl je kijkt of je al doende een beeld ziet ontstaan, een vondst die je aanspreekt. Ik voel me bij mijn beeldhouwen als een boer die zich verdiept in het mysterie van de natuur, op zoek naar de onnaspeurbare ontwikkeling van al wat leeft. Dat boeit me mateloos. Ik kijk, ik hak en ik vind. Daar probeer ik vorm aan te geven. Als ik in mijn leven terug kijk moet ik beamen: Wat mij goed deed heb ik vaak gevonden”.Toch probeer ik er altijd “iets van te maken”.
“Wie in de lucht fietst, valt op de grond”, was de stellige mening van mijn grootvader. “Wie zich niets verbeeldt is twee keer niets”, was de vitale reactie van mijn grootmoeder.

Het vinden van een beeld
Wie realiteit wil bevatten, zal haar verbeelden. In zijn verbeelding grijpt de idealist zijn kans. Hij schept utopie even breekbaar als denkbaar. Wie dwaalt in de chaos van dit ondermaanse spiegelt zich in verbeelding en werkelijkheid. Wat blijft is wat “de mensen ervan vinden”. Kunst verbeeldt de werkelijkheid. Wie kijkt ververst zijn beeld. Wie “er iets van vindt” schept daarmee een nieuwe werkelijkheid. Verbeelding maakt een back-up van de actualiteit. De werkelijkheid pulseert en golft door je geest. Je zeeft haar door jouw visie en verbeelding. Je projecteert haar weer in de buitenwereld. Wie een beeld snijdt uit een stuk hout, zoekt zijn verbeelding in het hout en snijdt weg wat hij niet ziet totdat niets meer het zicht op zijn beeld onttrekt. Verbeelden is als adem halen. Adem geeft leven. Met het ritme van de hartslag wordt de realiteit van buiten in golven opgenomen, het vitale bezinkt.

Verbeelding
Wie een gebouw ontwerpt moet er voor zorgen dat het functioneert op een manier dat de gebruikers of bewoners er profijt van hebben. De ontwerper gebruikt zijn fantasie en verbeelding om een gebouw te maken dat past bij de mogelijkheden en beleving van de gebruiker. Als het mooi is, maar het functioneert niet, werkt het als boter aan de galg. Het gebouw moet ook als een vitaal onderdeel functioneren van zijn totale omgeving. Het moet als het ware organisch opbloeien uit het geheel van samenhangende groeikrachten. Alle verbeelding loopt stuk als ze geen rekening houdt met de realiteit van de natuur. Een verkeerde berekening van een bouwconstructie leidt tot het instorten van het concept, tot bouwval en verloedering. Als een dokter zijn patiënt beter wil maken zal hij moeten kiezen voor een geneeswijze die permanent opnieuw bewijst dat ze werkt en effect heeft. De dokter zal er goed rekening mee moeten houden dat de patiënt zelf geneest. Het perspectief dat de patiënt zelf ziet en zijn verbeelding die zijn krachten mobiliseert kunnen belangrijke factoren zijn bij zijn genezing.

Zonder verbeelding geen leven
Vormgeven is: ruimte vangen, ordenen en scheppen binnen grenzen van wat “voorhanden” is. Vorm krijgt gestalte, wordt belichaamd en ingelijfd, krijgt betekenis, wordt belevenis, waar verbeelding en realiteit samenspelen en in elkaar opgaan. Wonen is in zijn brede betekenis niet een passieve situatie, maar een scheppende activiteit. Al bouwende wonen wij, ordenen wij onze ruimte. Bouwen en wonen zijn onafscheidelijk en interactief. Bouwen zonder woonconcept is zinledig. Wonen zonder bouwdynamiek verstart. Wonen is de zinvolle bestaanswijze op onze aardse ruimte. Bouwen aan onze wereld is haar bewoonbaar maken. Bouwen en wonen is verbeelden en zin geven, inlijven en beleven, belichamen en bestaan. Wie zo lang mogelijk gezond en gelukkig wil blijven, zal daar zelf aan moeten werken. Zelf de regie in handen houden. Je verbeelding gebruiken om er iets van te maken, zonder de realiteit uit het oog te verliezen. Zonder verbeelding komt er geen leven in de brouwerij van onze samenleving. Dat was ook de stelling van mijn grootmoeder toen ze zei: “Wie zich niets verbeeldt is twee keer niets”. Verbeelding die te weinig rekening houdt met de realiteit, is even overbodig als luchtfietserij, daarin had mijn grootvader groot gelijk.


***