Bouwelementen



Het volgende artikel schreef ik op 03.02.1971 in het Polytechnisch tijdschrift voor bouwkunde, wegen- en waterbouw, het orgaan van het NIRIA (Nederlands Instituut van registeringenieurs en Afgestudeerden van HTS)


Ruimte

Ons leven, ons doen en laten, manifesteert zich in ruimte en tijd. Alles wat wij ondernemen, waarnemen en ervaren doet zich aan ons voor in verschijnselen, in vormen en structuren van ruimte en tijd. Ruimte wordt bepaald door het waarneembare. Het fenomenale tekent zich ruimtelijk af, verleent de ruimte haar spanning en polariteit, begrenst haar. Het fenomenale bestaat bij de gratie van deze begrenzing en geeft de ruimte zijn vorm.

Vloedgolf van het fenomenale

organische structuur



Ruimte, vorm en vrijheid

Binnen de begrenzing van haar vorm is ruimte toegankelijk. Zonder vormgeving bestaat zij niet voor menselijk perceptie, is zij onleefbaar en zonder betekenis. Vormeloos is ruimte ontoegankelijk, onbegrijpelijk en ongrijpbaar. De leefbaarheid en bevattelijkheid van de ruimte is afhankelijk van de creatieve vrijheid die binnen haar vormelijkheid gestalte krijgt. Vormloze vrijheid is abstract, zonder inhoud en ongrijpbaar. Zij is een slag in de lucht, een schreeuw in de leegte of een zinledig leeglopend concept. Onvrijheid beperkt de bewoonbaarheid en beleefbaarheid van de ruimte. Zij ontstaat als obstakel en obstructie door verstarring en onvermogen. Verstarde ruimte is loos en leeg, vervreemd van menselijke inspiratie en beleving. Zij wil zijn wat “geweest” is, boeit het verleden, bant het toekomstige. Onvrijheid is gefossiliseerd, doods en onleefbaar. Vrijheid is ontwerpen in de ruimte, altijd opnieuw bestaande grenzen doorbrekend, zich flexibel vormend integraal in realiteit. Altijd is zij anders dan zij was, een dynamische projectie.
Ruimtespel.
Vormgeven is ruimte vangen en scheppen binnen grenzen van wat “voorhanden” is. Vormen krijgen gestalte, worden belichaamd en ingelijfd, krijgen betekenis, worden beleefd, waar inspiratie, situatie en materie samenspelen en in elkaar opgaan. Deze integratie is een voorwaarde voor een goede vormgeving.

Mens en ruimte
Onze woonsituatie is het huis en de huid van ons bestaan. Onze huid is de buitenkant van ons lichaam en van onze gestalte. Wij mensen kunnen door vormgeving en ordening onze aardse ruimte bewoonbaar maken en humaniseren. Door onze omgeving op onze menselijke maat te organiseren scheppen wij een gunstige biotoop om beter “mens te worden”. Wonen is niet een passieve situatie. Zij is een scheppende activiteit. Bouwende wonen wij en ordenen wij onze ruimte. Bouwen en wonen zijn onafscheidelijke en elkaar aanvullende begrippen. Bouwen zonder woonconcept is zinledig. Wonen zonder bouwdynamiek verstart en ontaardt. Wonen is de zinvolle bestaanswijze in dit ondermaanse. Bouwen aan deze wereld is haar bewoonbaar maken door de chaos van zinledige, verstarde of vervreemde ruimte te ordenen en vorm te geven. Bouwen en wonen is scheppen en zin geven.

Ruimtevrees
Onze huidige bouwontwikkelingen, woningbouw, stedenbouw en ruimtelijke ordening vertonen ernstige vormen van onderontwikkeling en achterstand in relatie tot onze technische mogelijkheden. Zij lijden aan verstarring en vernauwing. Zij worden gekenmerkt door een bureaucratische aanpak, een behoudende benadering van vormmogelijkheden en de het primaat van de commercie. De opportuniteit van het moment speelt de hoofdrol. Vervlakking, beperktheid van visie en kneuterigheid leidt tot een product dat gemakkelijk opschept en dat de massa met “smaak” slikt. Wapenindustrie beschermt het volk en zijn werkgelegenheid en is daarom sociaal en politiek manipuleerbaar. Datzelfde effect speelt bij bouwontwikkelingen. Diepte-investeringen in maatschappelijke opbouw en ruimtelijke ordening is moeilijk te verkopen aan consumenten die onverzadigbaar zonder uitstel willen profiteren. Ze mogen nooit genoeg hebben. Dat wordt hen dagelijks ingepompt om te voorkomen dat het opportunistische evenwicht tussen consumptie en productie zoek raakt.

“De toekomst zorgt voor zichzelf”, aldus de “creatieve” visie van een maatschappij die zoveel futurologie als make-up in haar image building doet. Als troost en vermaak voor de gefrustreerden beschikken wij over een derde en vierde wereld, maar ook over een woestijn aan onderontwikkeling en ellende. Willen wij onze stand ophouden met dergelijke illusies of zijn dit tekenen aan de wand, voorboden van een ontwakend onbehagen? Vragen over “leefbaarheid” hangen al heel lang in de lucht. Vrijheid en beheersing van vorm, functioneel zin gegeven, organisch gegroeid, is het criterium voor leefbaarheid en menselijk perspectief. Flexibiliteit van woonvormen en ruimtelijke ordening zijn even essentieel voor menselijke leefbaarheid als doodgewoon adem halen. Ieder mens heeft zijn eigen huid. Zij laat in belangrijke mate de kwaliteit van zijn bestaan zien. Gezien vanuit ruimtelijke ordening is zijn woning de tweede huid voor de mens.

Ruimte in beweging
Bij toenemende schaalvergroting, intensiever teamwork, procesbesturing, meer exacte programmering manifesteert zich de behoefte dat programmeerbare flexibiliteit de rol van reflexieve improvisatie overneemt om verstarring en fixatie te doorbreken. Schaalvergroting van bedrijfsorganisatie en maatschappij gaat gepaard met een stijgende migratie en verhuizing. Bij migratie moet zonder meer de nieuwe woonruimte aan de andere bewoners worden aangepast. Als dat niet mogelijk is of gepaard gaat met veel hak- en breekwerk doet zich het verschijnsel voor dat je overal ziet: “Massa woningbouw is binnen twintig jaar volledig uitgewoond”. Stadswijken verpauperen binnen korte tijd en worden getto’s. Leefgemeenschappen sterven uit voordat ze kunnen ontstaan.

Frustraties als gevolg hiervan beïnvloeden reactionair de samenleving in sociaal, politiek en economisch opzicht. Standaardisatie en normalisering zijn noodzakelijk om bouwprocessen effectief te programmeren. Standaard woningen, uniforme stadwijken, een ruimtelijk ordening op muf kantoorpapier getuigt van een even simplistisch als fatalistisch inzicht in de mogelijkheden van een moderne werkorganisatie. Het spel met standaardelementen wordt niet gespeeld. Zij zijn mobiel en flexibel schakelbaar tot aangepaste persoonlijke ruimten en variabele bouwmassa’s die het leven van de bewoners uitstralen. Naar behoefte en inzicht kan de gegeven ruimtevorming worden omgevormd, uitgebreid en verplaatst.

Ruimte economie
Ruimte economie en het spel van vormgeven, dat hierbinnen mogelijk is, bepalen de haalbaarheid van ontwerpen voor woningbouw, stedenbouw en ruimtelijke ordening. Gebrek aan bouwgrond oppervak behoeft bij voortschrijdende socialisatie van onze maatschappelijk opbouw niet het grootste probleem te zijn. Bouwgrond kan in etages worden aangelegd. Stapeling van ruimte eenheden geeft weinig oppervlaktewinst vergeleken met gespreide laagbouw. De verdichting van bouwmassa en ruimtevorming is maatgevend voor een optimale balans tussen zinvolle communicatie en gewenste privacy. Een wisselende grens, die de samenleving als maatgevend ervaart, bepaalt deze verdichting als relatie van bebouwing tot omgeving.

Bouwgrondetages nemen de omgeving “verdiept” mee in wisselende profilering en speelse terrasvorming. Pluriforme ontwerpen op basis van flexibiliteit vormen bij voortgaande programmering en rationalisatie van werkorganisatie een groot probleem. In de traditionele bouw zeer duur in verhouding tot massale en uniforme repeterend vormgeven. Paradoxaal genoeg geldt deze discrepantie niet voor industriële prefab elementenbouw. Bij beperking van het aantal bouwelementen tot het minimale en de optimalisering van schakelmogelijkheden, inspireert dat tot grote vrijheid en beheersing van bouwvormen. Flexibiliteit en leefbaarheid van prefab bouw roept geen kostenverhoging op, dit in tegenstelling tot de traditionele bouwwijze. Voorwaarde is dat het spel met de elementen creatief gespeeld wordt. Dat vraagt van de constructeurs de bereidheid om de ontwerper alle ruimte te geven. De architecten zullen in staat moeten zijn om met weinig eenheden door veel combinaties, varianten en composities leven te geven aan elementaire cellenstructuren. Kortom: om met functionele elementen lucide organismen te kristalliseren.

Ruimtelijk projecteren
Schaalvergroting vergt op het eerste gezicht een straffe organisatie van relaties en structuren. Zij verschaalt onherroepelijk als haar programmering niet gericht blijft op haar organische ontwikkeling. Als zij niet voldoende flexibel is om reagerend op situaties, ontwerpend in perspectief van haar toekomst, effectief en functioneel te blijven. De ruimte waarin deze schaalvergroting - sociaal, wetenschappelijk, economisch en organisatorisch - zich afspeelt, moet meegroeien in haar ontwikkelingen en er ook op anticiperen. De maatschappij barst uit de huid van zijn ruimte als deze te weinig elastisch is. Diepte-investering in een bewoonbare wereld, duurzaamheid, leefbaarheid, welvaart en welzijn, vrede en vrijheid. De toekomst begint, perspectief tekent zich af, wanneer de ruimte een flexibele gestalte krijgt met het menselijke gezicht van de samenleving.

Gemechaniseerde samenleving
Onze handvaardigheid verlengde haar krachtarm met het verlengstuk van machine en automaat. Vervolgens verleidt de industrie ons tor hand- en spandiensten als verlengstukken va onze eigen constructies. Om ons industriële apparaat – en menselijke illusies hieraan inherent – in stand te houden moeten wij consumeren wat wij produceren. Onze consumptie is slaaf en maatstaf voor onze productie. Het consumptieve productieapparaat vraagt om centralisatie en schaalvergroting. Effectuering van haar infrastructuur roept een banale verdichting op van woon- en werkstructuren die in een verschalingsproces als gevolg van een abstract analytische aanpak onleefbaar worden. Vruchtbare laagvlakten worden chaotisch langs snelwegen tot industriegebieden verkaveld. Stukken natuurschoon die ook zonder diepte-investering grote recreatieve waarde hebben worden vooral langs de grote rivieren en aan de kust voor de industrie bestemd. Het water is weg – vaarweg – allereerst voor verkeer en afval. Een goedkope weg die meer ruimte moet scheppen binnen het relatieve evenwicht tussen consumptie en productie.

Separaat, maar annex, vervuilen de vlakke industriewoestijnen de ruimte in een verre omtrek. Hoge en strakke woonblokken sluiten de horizon af. Huurkazernes in hoge rijen aaneengesloten stapelen “economisch” nijvere arbeiders met burgerman allures onder dak. In deze grauwe wijken vervreemden de steunpilaren van onze consumptiewelvaart van zichzelf en van anderen. Ze verliezen hun elementaire binding met moeder aarde. Straten loodrecht en platvloers kruisend rijgen de woonblokken in een dode structuur, gespeend van alle spontaniteit en luciditeit, aaneen. Overspannen ernst hangt over deze lugubere blokkenmassa’s waarin luxe en standing in “gesublimeerd overspel” gecultiveerd worden tot illusoir woongenot en abstractie bestaanskwaliteit.

De magische limiet “economische haalbaarheid”drijft de mensen in dode woonvormen gedrapeerd door linten van blinkend autoblik. In deze nijvere massabewoners schuilt nog zoveel creativiteit dat ze naïef de redelijkheid van “economische haalbaarheid” – voze fantasie van gefrustreerde ontwerpers, gepaard aan gratuite tijdvulling van ambtelijke letterknechten – inzien. Binnen deze “beperkte haalbaarheid” bouwen ze een illusoir bestaan op van verkapte standing. Langs steile straatwanden kijken ze in een streep verkeer die loodrecht in een andere streep steil tegen een andere straatwand doodloopt. Orthodox worden woonhopen aaneengeregen door ordinaire verkeersstromen verkaveld tot burgermanswijken waarin ieder zich in zichzelf spiegelt en vervreemdt. Stedebouw recht toe recht aan, wooncellen in de straatwand. De communicatie in zulke woonhopen speelt zich af op kijkschermen en krantenpapier die het laatste uitzicht in de streep stele wandstraat vergrendelen.

Eendimensionale ruimte
Onze samenleving is een consumptiemaatschappij. De ruimtestructuren die haar gestalte geven worden bepaald door slechts één dimensie. Dat is de consumptie van onze productie, een welhaast narcistische perversie. Consumerend spiegelen wij ons aan een hoog geïndustrialiseerde maatschappij en we zien onszelf als creatieve producenten. Industrialisatie stimuleert onze massale consumptie tot het uiterste om zich staande te houden in haar hele hebben en houden. Onze consumptie – en met haar onze communicatie en ruimtestructuur – zijn verzakelijkt. Wij objectiveren onze consumptie en vertalen “zijn” in “hebben”. Door steeds meer te hébben (geconsumeerd) menen wij meer te zijn. We spannen ons in om “iets” te zijn in de wereld buiten onszelf. Dit “iets” is meestal een plooibare huid die wij ons aanmeten als functioneel image voor public relations.

Dit beeld van onszelf roept in confrontatie met de werkelijkheid overspanning en verdringingseffecten op. Ontspanning moet gevonden worden binnen de relatie van onszelf tot de concrete realiteit. Met de bedoeling meer ruimte te scheppen voor ontspanning overspannen we onze beschikbare ruimte met inspanning die de situatie objectiverend overslaat in overspanning. Nijverheidswoestijnen overwoekeren onze leefruimte en veroorzaken nerveuze ademnood. De consumptie is totaal…., vervreemding alom. De woonblokken zijn fantasieloos uniform, maar de rechtlijnige platvloerse straat die zij steil en stijf ommuren, doet de deur dicht. Het leven als ontspanning of wensdroom speelt zich voornamelijk af op kijkschermen en autoruiten. Deze luxe- en statussymbolen bieden geen nieuwe levensruimte, maar verleiden eerder tot “vluchten uit het grauwe en alledaagse”.

Hun effect is ruimtevernauwend. Het escapisme langs statussymbolen vergt paradoxaal genoeg meer investeringen dan de benauwde woonsituatie waaraan we willen ontkomen. De stad, nijverheidsvlakte in de periferie. Een gordel van uitgeklede woonwijken, meer centraal totaal onbereikbaar. Handelscentra en openbare diensten zonder communicatie actieradius. Communicatiecentra zonder communicatie. Bestuurscentra waar regenten achter gesloten deuren hun ambt perfectioneren en rechtvaardigen. Cultuurmonumenten waar wij op gepaste tijd onze stand ophouden. Recreatiegelegenheid buiten bereik van het leven van alledag, slechts met grote inspanning bereikbaar in weekend en vakantie. Ook zij is vervreemd in haar commerciële vorm.

Onze ontwerpen schetsen wij in het vlak van dun papier en ze komen niet los van deze eendimensionale situatie. Wij zijn gehandicapt door beloftevolle maar complexe structuren van middelen die onze technische vooruitgang biedt. Wij tekenen onze visie in plattegrondschema’s. Aanzichten en inzichten projecteren we op hetzelfde vlak. We suggereren ons aldus de ruimte die wij willen verbeelden. Veelal verliest onze verbeelding haar perspectief en diepte in het platte vlak van papieren organisatie. Ruimte die vorm kreeg tussen omrek van plattegronden, aanzichten en doorsneden is krachteloos zonder voldoende integratie.

Leken projecties
Na voorgaande pretentieuze beschouwingen moet ik bekennen dat ik van de vakwetenschap “Stedebouw en ruimtelijk ordening” geen notie heb. Ongehinderd door kennis staat mijn onwetendheid er borg voor dat ik ook niet gehinderd wordt door bedrijfsblindheid. Mijn boerenverstand houdt me op afstand van vakwetenschap, ik ben een outsider. Wellicht is het nuttig dat ik mijn weerbarstige visie summier en bij flarden aan te geven. Onze abstract analytische benadering – soms op het schizofrene af – moet zijn dogmatisch karakter laten varen. De mens - en zijn authentieke communicatieve relaties – zullen norm en maatstaf moeten worden voor onze maatschappelijke opbouw. De verschuiving van menselijke productie naar banale kortzichtige consumptie, van creatief naar automatisch handelen zal omgekeerd moeten worden. Het escapisme van verarmde wooncultuur in illusoire beeldcultuur moet worden ontmaskerd.

Manifest is dat deze beeldcultuur een surrogaat is dat duurder is dan een wooncultuur een wooncultuur waarin mensen zichzelf kunnen realiseren, terwijl zij in het surrogaat zichzelf uit de weg gaan. De ambtelijke verkavelingmentaliteit die wooncellen opstapelt in steile straatwanden, rechtlijnig en platvloers op elkaar doodlopend, moet plaats maken voor de speelse geest van maatschappij critici en creatieve ontwerpers. Industrie is aangewezen op infrastructuur, maar hoeft ze niet te worden samen getrokken om woongebieden te isoleren. Is zo economisch voordelig dat recreatiegebieden worden dicht gebouwd met lage industriehallen en opslagplaatsen die ons milieu vervuilen en de dicht bebouwde omgeving onleefbaar maken? Verkeersadres zijn noodzakelijk voor onderlinge bereikbaarheid.

Straatwanden vormen echter een obstakel temeer als zij worden omzoomd door autoblik. Communicatief verkeer is niet gebonden aan begane grond. Het kan zich bewegen in etages, over en door parkeergarages, aansluiten op ruimtelijke dragers. In deze draagconstructies waar mensen woonruimte componeren naar eigen inzicht en behoefte, zoals elke vogel zijn nest bouwt met bouwelementen in plaats van takken en vezels. Rechtlijnige streepstraten zijn echter geestdodend. Als woonverdichting hoogbouw noodzakelijk maakt, moeten wij van onze steile wand woonpakhuizen afstappen om speelse woonruimten in terrasvormig profiel op te bouwen.

Woonklimaat, werkruimte, communicatief en bestuurlijk leefklimaat, verzorgende en diensten sfeer, recreatieve sector moeten integraal – functioneel en organisch – op elkaar worden afgestemd en in elkaar gebouwd worden. Horizontale onbereikbaarheid via begane grond en verticale toegankelijkheid via enge liften Is niet aanvaardbaar. De communicatie moet horizontaal en verticaal worden geïntegreerd, terwijl dakvlakken, luifels open ruimte in draagskeletten dienst doen als buitenruimte. Skeletten en dragers zullen pluriform moeten worden ontworpen. Zij moeten geschikt zijn voor inbouw en ruimtevorming voor functioneel verschillende mogelijkheden. De bewoner zal zijn woon- en werkruimte in deze ruimtestructuren zelf vorm moeten geven.

structuurelementen


Een nieuw ruimtebegrip door het bouwen met structuurelementen

Onder deze kop plaatste het Polytechnisch tijdschrift Bouwkunde wegen en waterbouw op 03.02.1971 voorgaande beschouwingen van tekenaarconstructeur Juul van de Kolk.
De redacteur merkt hierbij op: Onwillekeurig gaan mijn gedachten terug naar de tijd van de Bauhütten, gelegen aan de voet van de in aanbouw zijnde kathedralen. De beschutte werkplaatsen, open onderkomens, waar werkstukken voor de bouw gereed gemaakt werden; waar in onderlinge uitwisseling en discussie de mensen van de bouw bepaalde bouwtechnieken al bouwende vervolmaken en de bijbelse thema’s bespraken die verwerkt moesten worden.

Een uitspraak die verband houdt met deze activiteit van de heer van de Kolk is die van professor Habraken van de Stichting Architecten Research aan de Technische Hogeschool Eindhoven. “Het ironische van de huidige woningbouw is, dat de woningen van nu allemaal dezelfde plattegrond hebben, maar de constructies allemaal verschillend zijn. Wat wij nu willen is, allemaal verschillende plattegronden maken met dezelfde constructiewijze. De constructie moet je rationaliseren om de bouwindustrie haalbare series te laten maken, maar de plattegronden je variëren door een grote schakelbaarheid van bouwelementen. Dit geldt voor zowel woningbouw als voor welk ander bouwobject. Het gekke is dat in nieuwe wijken – hoewel ze zogenaamd gerationaliseerd heten te zijn – ieder blok door een andere firma gebouwd, met een andere directie en een andere architect totaal opnieuw gedetailleerd wordt. Wij hebben geen enkel bezwaar tegen andere firma’s, andere architecten en andere directies, maar wel tegen irrationeel toegepaste detaillering, omdat hierdoor het product bij gelijke prijs minder van kwaliteit en mogelijkheden wordt. We denken aan structuren die grote verscheidenheid in mogelijkheden bieden”. Tot zover prof. Habraken.


***