|
 |
Ruimte, vorm en vrijheid
Binnen de begrenzing van haar vorm is ruimte toegankelijk. Zonder
vormgeving bestaat zij niet voor menselijk perceptie, is zij onleefbaar
en zonder betekenis. Vormeloos is ruimte ontoegankelijk, onbegrijpelijk
en ongrijpbaar. De leefbaarheid en bevattelijkheid van de ruimte is
afhankelijk van de creatieve vrijheid die binnen haar vormelijkheid
gestalte krijgt. Vormloze vrijheid is abstract, zonder inhoud en
ongrijpbaar. Zij is een slag in de lucht, een schreeuw in de leegte of
een zinledig leeglopend concept. Onvrijheid beperkt de bewoonbaarheid en
beleefbaarheid van de ruimte. Zij ontstaat als obstakel en obstructie
door verstarring en onvermogen. Verstarde ruimte is loos en leeg,
vervreemd van menselijke inspiratie en beleving. Zij wil zijn wat
“geweest” is, boeit het verleden, bant het toekomstige. Onvrijheid is
gefossiliseerd, doods en onleefbaar. Vrijheid is ontwerpen in de ruimte,
altijd opnieuw bestaande grenzen doorbrekend, zich flexibel vormend
integraal in realiteit. Altijd is zij anders dan zij was, een dynamische
projectie.
Ruimtespel.
Vormgeven is ruimte vangen en scheppen binnen grenzen van wat
“voorhanden” is. Vormen krijgen gestalte, worden belichaamd en
ingelijfd, krijgen betekenis, worden beleefd, waar inspiratie, situatie
en materie samenspelen en in elkaar opgaan. Deze integratie is een
voorwaarde voor een goede vormgeving.
Mens en ruimte
Onze woonsituatie is het huis en de huid van ons bestaan. Onze huid is
de buitenkant van ons lichaam en van onze gestalte. Wij mensen kunnen
door vormgeving en ordening onze aardse ruimte bewoonbaar maken en
humaniseren. Door onze omgeving op onze menselijke maat te organiseren
scheppen wij een gunstige biotoop om beter “mens te worden”. Wonen is
niet een passieve situatie. Zij is een scheppende activiteit. Bouwende
wonen wij en ordenen wij onze ruimte. Bouwen en wonen zijn
onafscheidelijke en elkaar aanvullende begrippen. Bouwen zonder
woonconcept is zinledig. Wonen zonder bouwdynamiek verstart en ontaardt.
Wonen is de zinvolle bestaanswijze in dit ondermaanse. Bouwen aan deze
wereld is haar bewoonbaar maken door de chaos van zinledige, verstarde
of vervreemde ruimte te ordenen en vorm te geven. Bouwen en wonen is
scheppen en zin geven.
Ruimtevrees
Onze huidige bouwontwikkelingen, woningbouw, stedenbouw en ruimtelijke
ordening vertonen ernstige vormen van onderontwikkeling en achterstand
in relatie tot onze technische mogelijkheden. Zij lijden aan verstarring
en vernauwing. Zij worden gekenmerkt door een bureaucratische aanpak,
een behoudende benadering van vormmogelijkheden en de het primaat van de
commercie. De opportuniteit van het moment speelt de hoofdrol.
Vervlakking, beperktheid van visie en kneuterigheid leidt tot een
product dat gemakkelijk opschept en dat de massa met “smaak” slikt.
Wapenindustrie beschermt het volk en zijn werkgelegenheid en is daarom
sociaal en politiek manipuleerbaar. Datzelfde effect speelt bij
bouwontwikkelingen. Diepte-investeringen in maatschappelijke opbouw en
ruimtelijke ordening is moeilijk te verkopen aan consumenten die
onverzadigbaar zonder uitstel willen profiteren. Ze mogen nooit genoeg
hebben. Dat wordt hen dagelijks ingepompt om te voorkomen dat het
opportunistische evenwicht tussen consumptie en productie zoek raakt.
“De toekomst zorgt voor zichzelf”, aldus de “creatieve” visie van een
maatschappij die zoveel futurologie als make-up in haar image building
doet. Als troost en vermaak voor de gefrustreerden beschikken wij over
een derde en vierde wereld, maar ook over een woestijn aan
onderontwikkeling en ellende. Willen wij onze stand ophouden met
dergelijke illusies of zijn dit tekenen aan de wand, voorboden van een
ontwakend onbehagen? Vragen over “leefbaarheid” hangen al heel lang in
de lucht. Vrijheid en beheersing van vorm, functioneel zin gegeven,
organisch gegroeid, is het criterium voor leefbaarheid en menselijk
perspectief. Flexibiliteit van woonvormen en ruimtelijke ordening zijn
even essentieel voor menselijke leefbaarheid als doodgewoon adem halen.
Ieder mens heeft zijn eigen huid. Zij laat in belangrijke mate de
kwaliteit van zijn bestaan zien. Gezien vanuit ruimtelijke ordening is
zijn woning de tweede huid voor de mens.
Ruimte in beweging
Bij toenemende schaalvergroting, intensiever teamwork, procesbesturing,
meer exacte programmering manifesteert zich de behoefte dat
programmeerbare flexibiliteit de rol van reflexieve improvisatie
overneemt om verstarring en fixatie te doorbreken. Schaalvergroting van
bedrijfsorganisatie en maatschappij gaat gepaard met een stijgende
migratie en verhuizing. Bij migratie moet zonder meer de nieuwe
woonruimte aan de andere bewoners worden aangepast. Als dat niet
mogelijk is of gepaard gaat met veel hak- en breekwerk doet zich het
verschijnsel voor dat je overal ziet: “Massa woningbouw is binnen
twintig jaar volledig uitgewoond”. Stadswijken verpauperen binnen korte
tijd en worden getto’s. Leefgemeenschappen sterven uit voordat ze kunnen
ontstaan.
Frustraties als gevolg hiervan beïnvloeden reactionair de
samenleving in sociaal, politiek en economisch opzicht. Standaardisatie
en normalisering zijn noodzakelijk om bouwprocessen effectief te
programmeren. Standaard woningen, uniforme stadwijken, een ruimtelijk
ordening op muf kantoorpapier getuigt van een even simplistisch als
fatalistisch inzicht in de mogelijkheden van een moderne
werkorganisatie. Het spel met standaardelementen wordt niet gespeeld.
Zij zijn mobiel en flexibel schakelbaar tot aangepaste persoonlijke
ruimten en variabele bouwmassa’s die het leven van de bewoners
uitstralen. Naar behoefte en inzicht kan de gegeven ruimtevorming worden
omgevormd, uitgebreid en verplaatst.
Ruimte economie
Ruimte economie en het spel van vormgeven, dat hierbinnen mogelijk is,
bepalen de haalbaarheid van ontwerpen voor woningbouw, stedenbouw en
ruimtelijke ordening. Gebrek aan bouwgrond oppervak behoeft bij
voortschrijdende socialisatie van onze maatschappelijk opbouw niet het
grootste probleem te zijn. Bouwgrond kan in etages worden aangelegd.
Stapeling van ruimte eenheden geeft weinig oppervlaktewinst vergeleken
met gespreide laagbouw. De verdichting van bouwmassa en ruimtevorming is
maatgevend voor een optimale balans tussen zinvolle communicatie en
gewenste privacy. Een wisselende grens, die de samenleving als
maatgevend ervaart, bepaalt deze verdichting als relatie van bebouwing
tot omgeving.
Bouwgrondetages nemen de omgeving “verdiept” mee in
wisselende profilering en speelse terrasvorming. Pluriforme ontwerpen op
basis van flexibiliteit vormen bij voortgaande programmering en
rationalisatie van werkorganisatie een groot probleem. In de
traditionele bouw zeer duur in verhouding tot massale en uniforme
repeterend vormgeven. Paradoxaal genoeg geldt deze discrepantie niet
voor industriële prefab elementenbouw. Bij beperking van het aantal
bouwelementen tot het minimale en de optimalisering van
schakelmogelijkheden, inspireert dat tot grote vrijheid en beheersing
van bouwvormen. Flexibiliteit en leefbaarheid van prefab bouw roept geen
kostenverhoging op, dit in tegenstelling tot de traditionele bouwwijze.
Voorwaarde is dat het spel met de elementen creatief gespeeld wordt. Dat
vraagt van de constructeurs de bereidheid om de ontwerper alle ruimte te
geven. De architecten zullen in staat moeten zijn om met weinig eenheden
door veel combinaties, varianten en composities leven te geven aan
elementaire cellenstructuren. Kortom: om met functionele elementen
lucide organismen te kristalliseren.
Ruimtelijk projecteren
Schaalvergroting vergt op het eerste gezicht een straffe organisatie van
relaties en structuren. Zij verschaalt onherroepelijk als haar
programmering niet gericht blijft op haar organische ontwikkeling. Als
zij niet voldoende flexibel is om reagerend op situaties, ontwerpend in
perspectief van haar toekomst, effectief en functioneel te blijven. De
ruimte waarin deze schaalvergroting - sociaal, wetenschappelijk,
economisch en organisatorisch - zich afspeelt, moet meegroeien in haar
ontwikkelingen en er ook op anticiperen. De maatschappij barst uit de
huid van zijn ruimte als deze te weinig elastisch is. Diepte-investering
in een bewoonbare wereld, duurzaamheid, leefbaarheid, welvaart en
welzijn, vrede en vrijheid. De toekomst begint, perspectief tekent zich
af, wanneer de ruimte een flexibele gestalte krijgt met het menselijke
gezicht van de samenleving.
Gemechaniseerde samenleving
Onze handvaardigheid verlengde haar krachtarm met het verlengstuk van
machine en automaat. Vervolgens verleidt de industrie ons tor hand- en
spandiensten als verlengstukken va onze eigen constructies. Om ons
industriële apparaat – en menselijke illusies hieraan inherent – in
stand te houden moeten wij consumeren wat wij produceren. Onze
consumptie is slaaf en maatstaf voor onze productie. Het consumptieve
productieapparaat vraagt om centralisatie en schaalvergroting.
Effectuering van haar infrastructuur roept een banale verdichting op van
woon- en werkstructuren die in een verschalingsproces als gevolg van een
abstract analytische aanpak onleefbaar worden. Vruchtbare laagvlakten
worden chaotisch langs snelwegen tot industriegebieden verkaveld.
Stukken natuurschoon die ook zonder diepte-investering grote recreatieve
waarde hebben worden vooral langs de grote rivieren en aan de kust voor
de industrie bestemd. Het water is weg – vaarweg – allereerst voor
verkeer en afval. Een goedkope weg die meer ruimte moet scheppen binnen
het relatieve evenwicht tussen consumptie en productie.
Separaat, maar
annex, vervuilen de vlakke industriewoestijnen de ruimte in een verre
omtrek. Hoge en strakke woonblokken sluiten de horizon af. Huurkazernes
in hoge rijen aaneengesloten stapelen “economisch” nijvere arbeiders met
burgerman allures onder dak. In deze grauwe wijken vervreemden de
steunpilaren van onze consumptiewelvaart van zichzelf en van anderen. Ze
verliezen hun elementaire binding met moeder aarde. Straten loodrecht en
platvloers kruisend rijgen de woonblokken in een dode structuur,
gespeend van alle spontaniteit en luciditeit, aaneen. Overspannen ernst
hangt over deze lugubere blokkenmassa’s waarin luxe en standing in
“gesublimeerd overspel” gecultiveerd worden tot illusoir woongenot en
abstractie bestaanskwaliteit.
De magische limiet “economische
haalbaarheid”drijft de mensen in dode woonvormen gedrapeerd door linten
van blinkend autoblik. In deze nijvere massabewoners schuilt nog zoveel
creativiteit dat ze naïef de redelijkheid van “economische haalbaarheid”
– voze fantasie van gefrustreerde ontwerpers, gepaard aan gratuite
tijdvulling van ambtelijke letterknechten – inzien. Binnen deze
“beperkte haalbaarheid” bouwen ze een illusoir bestaan op van verkapte
standing. Langs steile straatwanden kijken ze in een streep verkeer die
loodrecht in een andere streep steil tegen een andere straatwand
doodloopt. Orthodox worden woonhopen aaneengeregen door ordinaire
verkeersstromen verkaveld tot burgermanswijken waarin ieder zich in
zichzelf spiegelt en vervreemdt. Stedebouw recht toe recht aan,
wooncellen in de straatwand. De communicatie in zulke woonhopen speelt
zich af op kijkschermen en krantenpapier die het laatste uitzicht in de
streep stele wandstraat vergrendelen.
Eendimensionale ruimte
Onze samenleving is een consumptiemaatschappij. De ruimtestructuren die
haar gestalte geven worden bepaald door slechts één dimensie. Dat is de
consumptie van onze productie, een welhaast narcistische perversie.
Consumerend spiegelen wij ons aan een hoog geïndustrialiseerde
maatschappij en we zien onszelf als creatieve producenten.
Industrialisatie stimuleert onze massale consumptie tot het uiterste om
zich staande te houden in haar hele hebben en houden. Onze consumptie –
en met haar onze communicatie en ruimtestructuur – zijn verzakelijkt.
Wij objectiveren onze consumptie en vertalen “zijn” in “hebben”. Door
steeds meer te hébben (geconsumeerd) menen wij meer te zijn. We spannen
ons in om “iets” te zijn in de wereld buiten onszelf. Dit “iets” is
meestal een plooibare huid die wij ons aanmeten als functioneel image
voor public relations.
Dit beeld van onszelf roept in confrontatie met
de werkelijkheid overspanning en verdringingseffecten op. Ontspanning
moet gevonden worden binnen de relatie van onszelf tot de concrete
realiteit. Met de bedoeling meer ruimte te scheppen voor ontspanning
overspannen we onze beschikbare ruimte met inspanning die de situatie
objectiverend overslaat in overspanning. Nijverheidswoestijnen
overwoekeren onze leefruimte en veroorzaken nerveuze ademnood. De
consumptie is totaal…., vervreemding alom. De woonblokken zijn
fantasieloos uniform, maar de rechtlijnige platvloerse straat die zij
steil en stijf ommuren, doet de deur dicht. Het leven als ontspanning of
wensdroom speelt zich voornamelijk af op kijkschermen en autoruiten.
Deze luxe- en statussymbolen bieden geen nieuwe levensruimte, maar
verleiden eerder tot “vluchten uit het grauwe en alledaagse”.
Hun effect
is ruimtevernauwend. Het escapisme langs statussymbolen vergt paradoxaal
genoeg meer investeringen dan de benauwde woonsituatie waaraan we willen
ontkomen. De stad, nijverheidsvlakte in de periferie. Een gordel van
uitgeklede woonwijken, meer centraal totaal onbereikbaar. Handelscentra
en openbare diensten zonder communicatie actieradius. Communicatiecentra
zonder communicatie. Bestuurscentra waar regenten achter gesloten deuren
hun ambt perfectioneren en rechtvaardigen. Cultuurmonumenten waar wij op
gepaste tijd onze stand ophouden. Recreatiegelegenheid buiten bereik van
het leven van alledag, slechts met grote inspanning bereikbaar in
weekend en vakantie. Ook zij is vervreemd in haar commerciële vorm.
Onze
ontwerpen schetsen wij in het vlak van dun papier en ze komen niet los
van deze eendimensionale situatie. Wij zijn gehandicapt door
beloftevolle maar complexe structuren van middelen die onze technische
vooruitgang biedt. Wij tekenen onze visie in plattegrondschema’s.
Aanzichten en inzichten projecteren we op hetzelfde vlak. We suggereren
ons aldus de ruimte die wij willen verbeelden. Veelal verliest onze
verbeelding haar perspectief en diepte in het platte vlak van papieren
organisatie. Ruimte die vorm kreeg tussen omrek van plattegronden,
aanzichten en doorsneden is krachteloos zonder voldoende integratie.
Leken projecties
Na voorgaande pretentieuze beschouwingen moet ik bekennen dat ik van de
vakwetenschap “Stedebouw en ruimtelijk ordening” geen notie heb.
Ongehinderd door kennis staat mijn onwetendheid er borg voor dat ik ook
niet gehinderd wordt door bedrijfsblindheid. Mijn boerenverstand houdt
me op afstand van vakwetenschap, ik ben een outsider. Wellicht is het
nuttig dat ik mijn weerbarstige visie summier en bij flarden aan te
geven. Onze abstract analytische benadering – soms op het schizofrene af
– moet zijn dogmatisch karakter laten varen. De mens - en zijn
authentieke communicatieve relaties – zullen norm en maatstaf moeten
worden voor onze maatschappelijke opbouw. De verschuiving van menselijke
productie naar banale kortzichtige consumptie, van creatief naar
automatisch handelen zal omgekeerd moeten worden. Het escapisme van
verarmde wooncultuur in illusoire beeldcultuur moet worden ontmaskerd.
Manifest is dat deze beeldcultuur een surrogaat is dat duurder is dan
een wooncultuur een wooncultuur waarin mensen zichzelf kunnen
realiseren, terwijl zij in het surrogaat zichzelf uit de weg gaan. De
ambtelijke verkavelingmentaliteit die wooncellen opstapelt in steile
straatwanden, rechtlijnig en platvloers op elkaar doodlopend, moet
plaats maken voor de speelse geest van maatschappij critici en creatieve
ontwerpers. Industrie is aangewezen op infrastructuur, maar hoeft ze
niet te worden samen getrokken om woongebieden te isoleren. Is zo
economisch voordelig dat recreatiegebieden worden dicht gebouwd met lage
industriehallen en opslagplaatsen die ons milieu vervuilen en de dicht
bebouwde omgeving onleefbaar maken? Verkeersadres zijn noodzakelijk voor
onderlinge bereikbaarheid.
Straatwanden vormen echter een obstakel
temeer als zij worden omzoomd door autoblik. Communicatief verkeer is
niet gebonden aan begane grond. Het kan zich bewegen in etages, over en
door parkeergarages, aansluiten op ruimtelijke dragers. In deze
draagconstructies waar mensen woonruimte componeren naar eigen inzicht
en behoefte, zoals elke vogel zijn nest bouwt met bouwelementen in
plaats van takken en vezels. Rechtlijnige streepstraten zijn echter
geestdodend. Als woonverdichting hoogbouw noodzakelijk maakt, moeten wij
van onze steile wand woonpakhuizen afstappen om speelse woonruimten in
terrasvormig profiel op te bouwen.
Woonklimaat, werkruimte,
communicatief en bestuurlijk leefklimaat, verzorgende en diensten sfeer,
recreatieve sector moeten integraal – functioneel en organisch – op
elkaar worden afgestemd en in elkaar gebouwd worden. Horizontale
onbereikbaarheid via begane grond en verticale toegankelijkheid via enge
liften Is niet aanvaardbaar. De communicatie moet horizontaal en
verticaal worden geïntegreerd, terwijl dakvlakken, luifels open ruimte
in draagskeletten dienst doen als buitenruimte. Skeletten en dragers
zullen pluriform moeten worden ontworpen. Zij moeten geschikt zijn voor
inbouw en ruimtevorming voor functioneel verschillende mogelijkheden. De
bewoner zal zijn woon- en werkruimte in deze ruimtestructuren zelf vorm
moeten geven.

Een nieuw ruimtebegrip door het bouwen met
structuurelementen
Onder deze kop plaatste het Polytechnisch tijdschrift Bouwkunde wegen en
waterbouw op 03.02.1971 voorgaande beschouwingen van
tekenaarconstructeur Juul van de Kolk.
De redacteur merkt hierbij op: Onwillekeurig gaan mijn gedachten terug
naar de tijd van de Bauhütten, gelegen aan de voet van de in aanbouw
zijnde kathedralen. De beschutte werkplaatsen, open onderkomens, waar
werkstukken voor de bouw gereed gemaakt werden; waar in onderlinge
uitwisseling en discussie de mensen van de bouw bepaalde bouwtechnieken
al bouwende vervolmaken en de bijbelse thema’s bespraken die verwerkt
moesten worden.
Een uitspraak die verband houdt met deze activiteit van
de heer van de Kolk is die van professor Habraken van de Stichting
Architecten Research aan de Technische Hogeschool Eindhoven. “Het
ironische van de huidige woningbouw is, dat de woningen van nu allemaal
dezelfde plattegrond hebben, maar de constructies allemaal verschillend
zijn. Wat wij nu willen is, allemaal verschillende plattegronden maken
met dezelfde constructiewijze. De constructie moet je rationaliseren om
de bouwindustrie haalbare series te laten maken, maar de plattegronden
je variëren door een grote schakelbaarheid van bouwelementen. Dit geldt
voor zowel woningbouw als voor welk ander bouwobject. Het gekke is dat
in nieuwe wijken – hoewel ze zogenaamd gerationaliseerd heten te zijn –
ieder blok door een andere firma gebouwd, met een andere directie en een
andere architect totaal opnieuw gedetailleerd wordt. Wij hebben geen
enkel bezwaar tegen andere firma’s, andere architecten en andere
directies, maar wel tegen irrationeel toegepaste detaillering, omdat
hierdoor het product bij gelijke prijs minder van kwaliteit en
mogelijkheden wordt. We denken aan structuren die grote verscheidenheid
in mogelijkheden bieden”. Tot zover prof. Habraken.
*** |