|
|
1.Knillis |
2.Peter |
3.Wilhelmina |
4.Adrianus |
5.Egbertus |
6.Willem |
|
29.04.1838 |
29.08.1839 |
13.09.1841 |
06.02.1843 |
14.06.1846 |
18.12.1847 |
|
x C. Derks |
x A. Vloet |
x C.Lange |
|
+20.04.1831 |
+23.02.1850 |
|
+23.01.1925 |
+03.11.1913 |
+11.04.1918 |
|
|
|
4e generatie: Overgrootvader 1. Knillis van de Kolk (29.04.1838 / 23.01.1925)
trouwde op 18.02.1865 in Wanroy met Catrien Derks (15.1837 /08.02.1916). Zij
kregen negen kinderen:
|
1.Johannes |
2.Theodorus (Dot) |
3.Johanna |
4.Anna Maria |
7. Jacoba |
9.Jacoba |
|
27.12.1865 |
31.03.1867 |
24.09.1868 |
20.03.1870 |
12.04.1873 |
06.11.1876 |
|
5.Johannes |
x Miek Cornelissen |
x A. Toonen |
x C. Willems |
8.Jacoba |
x P.Nabuurs |
|
23.03 1872 |
+ 05.04.1939 |
|
|
19.08.1875 |
|
|
1. Coos |
2.Toon |
3.Willem |
4.Tien |
|
21.11.1901 |
01.01.1903 |
21.09.1906 |
07.06.1911x |
|
J.v.Dommelen |
+11.07.1922 |
x M. Lamers |
+07.11.1978 |
|
+03.03.1999 |
|
+08.091991 |
|
2e generatie: Vader 1. Coos van de Kolk (21.11.1901 / ) trouwde op 24.04.1928 in
Wanroy met Hanneke van Dommelen (29.01.1900/15.11.1992). Zij kregen acht
kinderen:
|
1.They |
2.Bets |
3.Miet |
4.Tien |
5.Piet |
6.Annie |
7.Truus |
8.Wim |
|
12.08.29 |
08.09.28 |
25.04.32 |
21.08.33 |
06.12.43 |
27.05.36 |
28.12.37 |
22.06.39 |
|
|
|
|
+11.09.91 |
|
|
+09.11.07 |
|
1e generatie: They (Juul) van de Kolk (12.08.29) trouwde op 30.06.1967 met
Truus Daniëls (04.06.1929 / 16.10.1984), eerder weduwe van Jacques Duijf
(28.07.1922 / 03.04.1960) Truus en Jacques hadden 3 kinderen:
Jan Duijf (24.04.1954) Annie Duijf (19.02.1956) en Carla Duijf (26.06.1958)
They (Juul) van de Kolk hertrouwde op 06.11.1987 met Ria de Ras (10.04.1933),
eerder weduwe van Henk Brinker(22.10.1927 / 13.01/1980) Ria en Henk hadden 2
kinderen:
Erik Brinker (09.11.1964) en Hanneke Brinker (27.06.1966)
|
|
Van Lamperen 2 naar Lamperen 12 Jan van de Kolk (* 09.01.1809) kocht voor zijn zoon Knillis (Cornelius) de boerderij op Lamperen 2. Het eerste huis op de Lamperen vanaf de Molenstraat. Zijn broer Peter bleef in de Lepelstraat wonen. Hij werd de stamvader van de andere tak “van de Kolk” in Wanroy. Knillis van de Kolk werd geboren op 29.04.1838. Hij trouwde op 18.02.1865 met Catrien Derks. Zij kregen negen kinderen, waarvan er drie al heel vroeg stierven. Dot (Theodorus) van de kolk, de vader van Coos, was onze stamhouder.Knillis werd op drie maanden na 87 jaar en zijn Catrien werd op een maand na 79 jaar. Ze waren 51 jaar getrouwd.
Op
22.08.1892
kocht Knillis van de Kolk, grootvader van Coos, voor zijn zoon Dot de
boerderij op Lamperen 12. Dat was bij een openbare verkoop in de
herberg van Jan Kaal in St.Anthonis van de van de familie Cornelis Arts,
een broer van burgemeester van St.Anthonis. Toen ook zijn weduwe was
gestorven was werden zijn bezittingen bij opbod verkocht. De totale
verkoop behelsde 2 boerderijen, 5 keuterijen en 25 stukken grond, die
ongeveer F. 20.000 opbrachten.
Op
25.06.1900
wordt het tiendrecht voor de boerderijen Lamperen 10 t/m Lamperen 16
afgekocht voor F. 1.700. De erven van Mauritz de Bruijn in Den Haag en
de erven van Doebler in Arnhem, Brussel en Freiburg, gepensioneerden met
een hoge rang in het leger, tekenden hiervoor. Dot en Miek Toen Coos van de Kolk op 14.04.1928 trouwde met Hanneke van Dommelen begonnen ze te boeren op Lamperen 12. Zijn vader Dot van de Kolk verhuisde met zijn vrouw Miek Cornelissen en de kinderen Willem en Tien naar het Ham. Hij had de boerdij van Jan Nabuurs gekocht, die op zijn beurt in het Veulen bij Venray een boerderij gekocht had. Dot was iemand die niet veel praatte, hij was een beetje een binnenvetter. “Maak je niet te veel wijs, niets is erger dan de werkelijkheid”, was hetgeen dat je verwachtte dat hij zou zeggen, als ie wat zou zeggen. Miek was min of meer het tegendeel. Zij praatte honderduit. Zij ging er van uit, dat je er zelf iets van moet zien te maken. “Wie zich niets verbeeldt is twee keer niks”, was haar motto.
Miek bakte iedere avond pannenkoek. Coos en Hanneke
hebben die gewoonte meegenomen naar de Lamperen en later ook in de
bejaardenwoning in de Groenhoeven. Op de Lamperen
Lamperen 12 was een lange boerderij die haaks op het
voorhuis stond. Het voorhuis stond aan de Lamperse pad zoals ook de
boerderijen van Lamperen 16 t/m Lamperen 4. De Lamperse pad was een
voetpad naar het dorp. Vóór het tijdperk van de fiets ging men te voet
naar het dorp. De fiets deed pas zijn intrede in Wanroy in de jeugd van
Coos en Hanneke. Pastoor Glaudemans kon op zijn preekstoel heftig te
keer gaan tegen jonge dames die het waagden zo’n onzedelijk geval als
een fiets te bestijgen en hij schrapte hen uit de Hl. congregatie.
Toen Coos daar boerde was er aan de voorkant van de
potstal al een koeienstal gebouwd, waar de koeien tussen de repels
stonden. De mest van de koeien werd eerst in de potstal en pas veel
later op de mestvaalt opgeslagen.
Op de boerderij was alles selfsupporting. Zelfvoorziening
zeiden ze in de oorlog. Moeder bakte brood in het bakhuis. Takkenbossen
in de oven aansteken, als het vuur uitgebrand was de as uit de oven
halen en het brooddeeg in de hete oven schuiven. Vlees, groenten en
fruit werden ingezouten, ingemaakt of ingekuild. Die manier van helemaal
voor jezelf zorgen kwam in de tweede wereldoorlog goed van pas. In de oorlog
In de oorlog - het was in de zomer van 1942 - kwamen de
Engelse vliegtuigen overvliegen om Duitsland - vooral het Roergebied -
te bombarderen. Dat was vuurwerk, een prachtig gezicht. Voor de Duisters
was het minder leuk. Met schijnwerpers probeerden de Duitsers zo’n
vliegend fort in het licht te zetten. Duitse jagers vielen dan aan. Dan
kon er van alles gebeuren.
Maar midden in de zomer en midden in de nacht - de
familie van de Kolk lag in bed, ze waren deze keer nog niet opgestaan -
gooit een Engels vliegtuig zijn voorraad brandbommen naar beneden.
Waarom weet niemand, maar het vliegtuig keert om terug te vliegen naar
Engeland. Vanaf de Rooie beek - een strook brandbommen van 50 meter
breed - over de Lamperen 12 naar de Lamperse hei. Hanneke van Coos kon spinnen en breien als de beste. De schapen leverden de wol. Ze kon ook heel goed kostuum naaien. Dat had ze geleerd bij Marjanneke van de Lokkant.
Er werd boter en kaas gemaakt, olie geslagen, surrogaat
koffie gebrand, zeep gemaakt. Er af en toe verdween er een varken uit de
administratie. Als in de avond het licht wat zwakker was en een beetje
flikkerde kon je er donder op zeggen dat de boeren in de buurt stiekem
koren of tarwe aan het malen waren. Na de oorlog
Tien van de Kolk, een broer van Coos en Willem, verbleef
in de oorlog voor zijn hogere studie bij de paters van Mariannhill in
het kasteel van Blitterswijk. They, de zoon van Coos was daar ook een
jaar lang vanaf augustus 1943 in het Klein Seminarie. Hij kon in
augustus 1944 niet terug vanwege de invasie van de geallieerden in
Normandiě.
De paters en fraters (in opleiding voor pater) werden
naar Duitsland getransporteerd. Frater Tien is daar weggekomen en is
door de linies naar huis in Wanroy gegaan. Hij kwam daar ruim vóór de
bevrijding aan. Zijn moeder Miek Cornelissen was intussen gestorven.
St.Paul was zwaar beschadigd, er was geen enkele ruimte
zonder flinke schade. Tien en oomzegger They hebben aan de opruiming
gewerkt. Ze zijn groenten gaan telen en hebben de situatie voorbereid
voor de terugkeer van de gedeporteerden na de bevrijding. Er waren vijf
mensen aan die kant van de Maas en voor de rest waren het allemaal
Engelse militairen. Langs de Rijksweg lag aan beide kanten twee meter
hoog opgestapeld allerlei minutie. Niemand keek er na. Een paradijs
voor jonge mensen die willen experimenteren.
Voordat de boerderij klaar was, ging Coos zich
motoriseren. Hij kocht een motor en hij ging een rijbewijs halen. In
Venray deed hij zijn rijexamen. Een rondje rijden en hij was geslaagd.
Die motor heeft veel diensten gedaan, ook voor de kinderen die geen
rijbewijs hadden.
Intussen was Tien van de Kolk priester gewijd, hij had
een tijd les gegeven aan het seminarie van Mariannhill en later was hij
naar de missie in Zuid-Afrika vertrokken. Op de oude dag
Coos van de Kolk was al voor zijn reis naar Afrika uit de
boerderij op de Lamperen gestapt. Zijn zonen wisten het toch allemaal
beter. Op een schip hoort maar één kapitein. Hij stapte over op een
ander schip en begon opnieuw te boeren. Een stuk bos ging in de fik en
hij ging asperges telen. Later moest ie natuurlijk zijn bos opnieuw
aanplanten, maar toen had was de beste aspergetijd al weer voorbij. Er
kwam een hut in het bos en jarenlang heeft hij een groentetuin in het
bos gehad. Elke dag toerde hij met zijn brommer naar het bos achter de
Lamperen. Toen de hartklep van Hanneke het geleidelijk aan begon af te laten weten, zijn ze moeten verhuizen naar het zorgcentrum in St.Anthonis, waar ze een kamer voor twee personen konden krijgen. Op 15.11.1992 is moeder Hanneke gestorven was. Coos ging weer terug naar Wanroy naar het verzorgingshuis de Lookant. Hij was lang de oudste inwoner van Wanroy. Hij had er veel zien gaan. Hij was graag in de Lookant, omdat hij daar meer mensen kende en die mensen kenden hem ook. Op 03.03.1999 is hij gestorven.
De Peel Het Land van Cuyk, waartoe Mill en Wanroy behoorde, lag tussen de Maas en de Peel. De Maas, een regenrivier, overstroomde regelmatig en werd door dijken tegengehouden bij St.Hubert en Mill. De Peel, een woestenij van ongeveer 1000 vierkante kilometer (65 km lang en 15 km breed), strekte zich uit van Grave tot Weert. De Peel ontstond na de laatste ijstijd die ongeveer 15.000 jaar geleden eindigde. Het was een moerasgebied, een hoogvlakte met heuvels aan de randen die de afwatering naar de Maas en de Dommel en de Aa bemoeilijken. De vorming van het veen is begonnen tussen 8.000 en 6.000 jaar voor Christus. Het veenmos houdt het regenwater vast en heeft geen grond nodig en breidt zich als een dik pakket over grote oppervlakten uit. Het sluit de grond volkomen af, de wortels van de bomen krijgen geen adem meer en sterven af. De veenlaag groeit aan de bovenkant door en zo ontstaat er een dik turfpakket. In Helenaveen was die laag wel negen meter dik. De oorspronkelijke zandondergrond liet vanwege leemlagen geen water door en verschilde in hoogte. Daardoor ontstonden er verschillen in de dikte van het veen en ook peelvennen. Op sommige hoge terreingedeelten of op zandruggen ontstond helemaal geen veen. Op die plaatsen was de Peel begaanbaar. In de middeleeuwen was gevaarlijk om de Peel over te steken. De Peel had een slechte naam, het was een door God en mensen verlaten oord, waarin schaap, hond en herder spoorloos verdwenen en de verdwaalden reiziger verzonk. Tot in 19e eeuw werden er ook nog wolven gesignaleerd. De Peel vormde een natuurlijke barrière voor verkeer, handel en cultuur. Het dialect aan beide kanten van de Peel was dan ook erg verschillend. Het was een onbegaanbare woeste en kale vlakte. Aan de randen kon je twintig kerktorens zien liggen. Van Venray naar Deurne was er een oversteek, maar bij slecht weer ook onbegaanbaar. Gemene gronden
De
heren stonden de gemeenten toe om gebruik te maken van de gemene
gronden. Dat waren niet ontgonnen gebieden in de Peel, maar ook wel
graslanden in het broek aan de kant van de Maas en bossen aan de rand
van de Peel. De boeren en burgerbevolking kon daar turf steken, hei
afplaggen, schapen hoeden, bezem binden en leem halen. Het beheer van de
gemene gronden lag in handen van de bestuurders. De gebieden werden
afgebakend met lange staken, die in een rechte lijn tussen de kerktorens
werden gezet. Ontginningen
Sommige plaatsnamen wijzen op heel vroege ontginningen. De naam Venray
komt van rode (ontginning /nederzetting) bij vennen. Wanroy herinnert
ook een rode (ontginning). De plaatsen die eindigen op lo of el
herinneren aan nederzettingen bij onontgonnen gronden en geleidelijke
cultivering. In 1864 verkocht de staat de Princepeel. Daar werd 570 ha ontgonnen onder leiding van Dominicus van Ophoven. In 1874 werd de stoomploeg ingezet bij de ontginning. De balansploeg werd 75 cm diep met kabels van de locomotief aan de ene kant van het perceel naar de locomotief aan de andere kant getrokken.
***
|