Mijn familie

 

Mijn wortels

 

Hoe kijk je er tegenaan

In onze evolutie zie je hoe alles uit elkaar ontstaat. Alles draagt de kenmerken
van de wortels waaruit het is ontstaan. Waarom zou dat bij mensen dieren
anders zijn. En hoe werkt dat?

 

Deze stoel heb gemaakt in 2012 uit een boomstam van
paardenkastanje van een halve meter dik. Daarbij had ik in gedachten hoe mensen zich vestigen in hun wereld, hoe zij relaties aangaan, zich voortplanten, zich in familie en stamverband verbinden en hun zit in het leven bepalen

 


Genen


Van vader en moeder erf ik elk de helft van de genen en die hadden ieder ook weer de helft van hun vader en moeder. Elke generatie verder een ontdubbeling. Na 8 generaties erf ik 1/526 deel van 526 voorouders. Tenminste als het zo simpel zou werken. En dat geloof ik eerlijk gezegd niet. Al die voorouders hebben namelijk geleefd en hun leven heeft zijn sporen waarschijnlijk nagelaten in hun genen.  En is die vererving alleen lichamelijk of ook geestelijk. Ik zou niet weten waarom het geestelijke zou zijn uitgesloten. Hoe ligt de scheiding tussen geestelijk en lichamelijk. Ik ben niet in staat om al deze sporen na te gaan in onze geschiedenis. Laat ik eens 8 generaties teruggaan.
 

Even terugkijken in de stamboom

Mijn oud-betovergrootvader Wilhelmus Jans en mijn oud-betovergroot-moeder Wilbortien Willems Meussen trouwden op 17.02.1689. Dat is meer  dan 325 jaar geleden. Hun geboorte- en sterfdata kan ik niet meer vinden. Zij kregen 3 zonen en 3 dochters. Hun eerste kind Elisabeth werd geboren 23.01.1690 heeft het niet gehaald, want hun derde kind heette ook Elisabeth (19.11.1693). 
Hun 4e kind Reijnerus Willems van de Kolk werd geboren op 23.11.1695 was mijn oud-overgrootvader. Toen hij 35 jaar was trouwde hij op 15.04.1731 met mijn oud-overgrootmoeder Jenneke Jans Rauwens. Hij stierf op 03.07.1869, vier maanden na de dood van zijn vrouw. Hij was toen bijna 74 jaar oud.
 

Over de naam

Het doopboek van de parochie Mill geeft aan hoe de naam “van de Kolk”  is ontstaan. Rein Willems Jans en Jenneke Jans Rauwens hadden een boerderijtje in het Hollanders Broek bij Kasteel Aldendriel in Mill. De burgerlijke stand is in 1792 in Frankrijk ingevoerd en is via Napoleon bij ons terecht gekomen. Vóór 1800 hield alleen de kerk de burgerlijke staat bij met doop- trouw- en begraafboeken. Het concilie van Trente (1545 tot 1563) had besloten dat “trouwen in de familie” (inteelt) voorkomen moest worden. De pastoors moesten dat bijhouden. Voor trouwen in de familie was dispensatie van Rome nodig. 

Vóór 1800 gaven de mensen elkaar zo maar een naam. Ze gebruikten patroniemen en toponiemen. Rein Willems Jans (Rein de zoon van van Willem, de zoon van Jan) was een patroniem. Hij werd in het doopboek  zo genoemd. Toen Rein stierf waren er te veel mensen met hetzelfde patroniem. Om hen uit elkaar te houden schreef de pastoor erbij “van de Kolk”, een toponiem. 
Ze woonden namelijk in de boerderij tegenover een kolk. Die kolk is ontstaan bij een doorbraak van de voordijk in Mill. Bij hoog water kwam de Maas (en de beek de Raam) tegen de dijken langs St.Hubert en Mill.  Bij heel hoog water, brak de dijk en ontstond er net achter de dijk door de draaikolkstroming een kolk of een wiel.  
Die kolk lag op het punt waar de Voordijk overgaat in de Kolkweg. De kolk werd gebruikt om het vee te laten drinken en hij werd ook gebruikt voor bluswater. De weg van het dorpscentrum Mill naar de kolk heet dan ook Brandse straat. De boerderij tegenover de kolk heet nu nog “de kolk”.
 

Stamboom

Mannelijke lijn voor de helft van genen verantwoordelijk


9e generatie: Oud-betovergrootvader Wilhelmus Jans trouwt op 19.02.1689 met  Wilbortien Willems. Zij krijgen zes kinderen.

1.Elisabeth

2.Wilhelmus 

 3.Elisabeth

4.Reinerus 

5.Johannes

 6.Joanna

23.01.1690

12.02.1692

19.11.1693

23.11.1695

13.11.1696

 21.12.1697

     

+03.07.1769

   


8e generatie: Oud-overgrootvader 4.Reinerus Willems van de Kolk trouwt op 15.04.1731 met Jenneke Jans Rauwens.  Ook zij krijgen zes kinderen.

1.Catharina

2.Wilhelmina

3.Wilhelmus

4.Johannes

5.Maria

6.Maria

03.03.1732 

06.04.1733

11.06.1734 

05.03.1736 

06.11.1737

26.06.1739

 

+ 16.01.1769

x M.Schraven

x M.G.Kempen

   
     

+ 19.09.1773

   


7e generatie: Oud-grootvader 4.Johannes Reijnen van de Kolk (+19.09.1773) trouwt in 1768 in Mill met Maria Godefridussen Kempen (27.12.1744 / 12.07.1810).  Zij krijgen vier kinderen: 

1.Johanna Maria

2.Adriana (Eerke)

3.Rein 

4.Johannes

14.04.1769

25.05.1770

17.07.1772

25.10.1773

   

x C.J. Wijnen

posthuum geboren

   

+ 05.04.1855

 


Maria Godefridussen Kempen hertrouwt op 09.04.1774 met Klaas Hofmans
(24.04.34): Zij kregen nog drie kinderen:

5.Cornelia Hofmans

 6.Cornelia Hofmans 

7.Paula Hofmans

8.Johanna Hofmans

26.07.1768 (1e huw.)

04.03.1776 

04.04.1782

24.08.1783

 

 


Boedelscheiding

Zeven maanden na de dood van vader Jan (19.09.1773) trouwde moeder Maria Kempen met Klaas Hofmans, de weduwnaar van Cornelia Gielens. Klaas had al een kind en zij kregen er nog drie kinderen bij.

Op 17.01.1777 passeert voor de schepenen van Mill de boedelscheiding voor de drie in leven zijnde minderjarige kinderen van Johannes Reijnen van de Kolk. De voogden waren Klaas Hofmans, hun stiefvader en Gerrit Schraven, een broer van hun tante Maria Schraven. Willem Reijnen en Maria Schraven, hun oom en tante waren toeziend voogd. De kinderen kregen ieder een zesde part, dat was een derde van de helft van de nalatenschap die aan hun vader toekwam. De hele nalatenschap bestond uit een huis, schuur, schop, erf en bouw- en weiland en een bosje, totaal ongeveer 7,5 mergen groot, gelegen bij   kasteel Aldendriel. Daar lagen de volgende lasten op: 18 vaten rogge, 12 stuijvers en een gulden voor zijne Hoogheid de Heer van Grave. 2 malder rogge en 35 stuijvers voor het gasthuis aldaar.  24 stuijvers voor de Heer van Aldendriel.
5 gulden voor de Kaplanie van Zeeland. 6 stuijvers voor de Kerk van Mill. En het onderhoud van bijbehorende hekken, straten en waterlopen.
 

Van Mill naar Wanroy

Johannes Reijnen van de Kolk werd 37,5 jaar oud. Zijn 8 jaar jongere weduwe Maria Kempen trouwde met Klaas Hofmans die 10 jaar ouder was. Zij verhuisden, drie of vier jaar later, in 1777 of 1778 naar Wanroy. Dat kan naar Broekkant 3 geweest zijn of de Lepelstraat, de boerderij die tegelijk met het Fortuun afbrandde en waar later de  brandweerkazerne kwam. Zijn zoon Rein van de Kolk (17.07.1772) trouwde op 01.05.1803 trouwde met Catharina Jans Wijnen. Zij kregen vier kinderen, waarvan Jan van de Kolk (09.01.1809) onze stamhouder was. Bij de volkstelling van 1850 woonde Rein van de Kolk (zijn vrouw was gestorven op 05.03.1833) op Broekkant 3. in Wanroij in bij Johannes van de Kolk die met Wilhelmina Derks getrouwd was. Zij woonden met hun kinderen:  Arnoldus (1845),  Antoon (1846) en Catharina (1849) op Broekkant 3. Rein van de Kolk werd 83 jaar oud en zijn vrouw werd 62 jaar. Jan van de Kolk werd geboren op 09.01.1809 en hij trouwde op 28.05.1837 met Johanna van de Weijer (01.07.1817). Johanna was acht jaar jonger dan Jan. Zij trouwde met hem toen ze 19 jaar oud was. Zij kregen zes kinderen waarvan Knillis onze stamhouder was. Johanna van de Weijer stierf op 08.03.1849, zij was toen 31 jaar.

De oudste, Knillis, was toen bijna 11 jaar, Willem, de jongste, was bijna 15 maanden en is 27 maanden oud geworden. Op 16.05.1849 werd de nalatenschap, het erfdeel deel van Johanna van de Weijer voor de kinderen Knillis, Peter, Wilhelmina, Adrianus, Egbertus en Willem vastgelegd.  Vader Jan en voogd Gerardus van de Weijer, kaplaan te Ewijk, een broer van moeder Johanna deden de aangifte van de nalatenschap. Het totale bezit van Jan en Johanna was toen ongeveer 7 ha, de boerderij aan de Lepelstraat met grond in het gebied dat toen ook al Groen Hoeven heette. De nalatenschap van Johanna ten behoeve van haar zes kinderen werd bepaald op een vierde van het geheel.

 


Vervolg stamboom 

6e generatie: Oud-vader 3.Rein van de Kolk (17.02.1772) trouwde op 01.05.1803 in Wanroy met Catharina Jans Wijnen (25.02.1771). Zij kregen vier kinderen: 
 

1.Maria

2.Johannes 

3.Johannes

4.Maria Anna

 19.09.1804 

09.07.1806

 09.01.1809 

 07.08.1810

x W.v.d.Broek

 

x J.v.d.Weijer

x H.Willems

 

 

+ 04.09.1865

 


5e generatie: Betovergrootvader 3.Jan van de Kolk (09.01.1809 /04.09.1865) trouwde op 28.05.1837 in Wanroy met Johanna van de Weijer (01.07.1817  / 08.03.1849). Zij kregen zes kinderen:  

1.Knillis

2.Peter

3.Wilhelmina

4.Adrianus

5.Egbertus

6.Willem

29.04.1838 

29.08.1839

13.09.1841

06.02.1843 

14.06.1846

18.12.1847 

x C. Derks

 x A. Vloet

x C.Lange

 

+20.04.1831

+23.02.1850

+23.01.1925

 +03.11.1913

+11.04.1918 

 

 

 


4e generatie: Overgrootvader 1. Knillis van de Kolk (29.04.1838 / 23.01.1925) trouwde op 18.02.1865 in Wanroy met Catrien Derks (15.1837 /08.02.1916).  Zij kregen negen kinderen:
 

1.Johannes

2.Theodorus (Dot)

3.Johanna

4.Anna Maria

 7. Jacoba

9.Jacoba

27.12.1865

31.03.1867

24.09.1868

20.03.1870

12.04.1873 

 06.11.1876

 5.Johannes

x Miek Cornelissen

x A. Toonen

x C. Willems

 8.Jacoba

x P.Nabuurs

23.03 1872

+ 05.04.1939

 

 

19.08.1875 

 


3e generatie: Grootvader 2.Dot van de Kolk(31.03.1837 / 05.04.l939) trouwde op 01.05.1900 in Wanroy met Miek Cornelissen (30.07.1869 / 21.02.1945). Zij kregen vier kinderen: 
 

1. Coos 

 2.Toon 

3.Willem

4.Tien

21.11.1901

01.01.1903

21.09.1906

07.06.1911x

J.v.Dommelen 

 +11.07.1922

x M. Lamers 

+07.11.1978

+03.03.1999

 

+08.091991

 


2e generatie: Vader 1. Coos van de Kolk (21.11.1901 / ) trouwde op 24.04.1928 in Wanroy met Hanneke van Dommelen (29.01.1900/15.11.1992). Zij kregen acht kinderen: 

1.They 

2.Bets

3.Miet

4.Tien

5.Piet

6.Annie

7.Truus 

 8.Wim

12.08.29 

08.09.28

25.04.32

21.08.33

06.12.43

27.05.36

28.12.37

22.06.39

 

 

 

+11.09.91

 

 

+09.11.07

 


1e generatie:  They (Juul) van de Kolk (12.08.29) trouwde op 30.06.1967 met Truus Daniëls (04.06.1929 / 16.10.1984), eerder weduwe van Jacques Duijf (28.07.1922 / 03.04.1960)  Truus en Jacques hadden 3 kinderen:
 
Jan Duijf (24.04.1954) Annie Duijf (19.02.1956) en Carla Duijf (26.06.1958)

They (Juul) van de Kolk hertrouwde op 06.11.1987 met Ria de Ras (10.04.1933), eerder weduwe van Henk Brinker(22.10.1927 / 13.01/1980) Ria en Henk hadden 2 kinderen:
 
Erik Brinker (09.11.1964) en Hanneke Brinker (27.06.1966)

 

 

 

Van Lamperen 2 naar Lamperen 12

Jan van de Kolk (* 09.01.1809) kocht voor zijn zoon Knillis (Cornelius) de boerderij op Lamperen 2. Het eerste huis op de Lamperen vanaf de Molenstraat. Zijn broer Peter bleef in de Lepelstraat wonen. Hij werd de stamvader van de andere tak “van de Kolk” in Wanroy.

Knillis van de Kolk werd geboren op 29.04.1838. Hij trouwde op 18.02.1865 met Catrien Derks. Zij kregen negen kinderen, waarvan er drie al heel vroeg stierven. Dot (Theodorus) van de kolk, de vader van Coos, was onze stamhouder.Knillis werd op drie maanden na 87 jaar en zijn Catrien werd op een maand na 79 jaar. Ze waren 51 jaar getrouwd.

Op 22.08.1892 kocht Knillis van de Kolk, grootvader van Coos, voor zijn zoon Dot de boerderij op  Lamperen 12. Dat was bij een openbare verkoop in de herberg van Jan Kaal in St.Anthonis van de van de familie Cornelis Arts, een broer van burgemeester van St.Anthonis. Toen ook zijn weduwe was gestorven was werden zijn bezittingen bij opbod verkocht. De totale verkoop behelsde 2 boerderijen, 5 keuterijen en 25 stukken grond, die ongeveer F. 20.000 opbrachten. 
Knillis kocht Lamperen 12, huis, bakhuis, schuur, stal, erf, tuin, boomgaard, hakhout, bouw- en weiland, totaal 10,3 ha voor F. 5.600. De weduwe van Johannes de Hoog, Maria Arts, woonde toen op Lamperen 14, Willem Abels op Lamperen 16 en Gerardus Fransen woonde op Lamperen 10.

Op 25.06.1900 wordt het tiendrecht voor de boerderijen Lamperen 10 t/m Lamperen 16 afgekocht voor F. 1.700. De erven van Mauritz de Bruijn in Den Haag en de erven van Doebler in Arnhem, Brussel en Freiburg, gepensioneerden met een hoge rang in het leger, tekenden hiervoor.
Op 06.07.1908
verkoopt Knillis van de Kolk de boerderij Lamperen 12 aan zijn zoon Dot. De kostprijs is F. 6.100. 
In april 1924 sluit Dot van de Kolk een huurovereenkomst met zijn zoon Coos voor Lamperen 12.
Coos van de Kolk koopt later nog stukken grond op de Walsert, Lamperse hei en de Peel. 
 

Dot en Miek

Toen Coos van de Kolk op 14.04.1928 trouwde met Hanneke van Dommelen begonnen ze te boeren op Lamperen 12. Zijn vader Dot van de Kolk verhuisde met zijn vrouw Miek Cornelissen en de kinderen Willem en Tien naar het Ham.  Hij had de boerdij van Jan Nabuurs gekocht, die op zijn beurt in het Veulen bij Venray een boerderij gekocht had. Dot was iemand die niet veel praatte, hij was een beetje een binnenvetter.

“Maak je niet te veel wijs, niets is erger dan de werkelijkheid”, was hetgeen dat je verwachtte dat hij zou zeggen, als ie wat zou zeggen.

Miek was min of meer het tegendeel. Zij praatte honderduit. Zij ging er van uit, dat je er zelf iets van moet zien te maken. “Wie zich niets verbeeldt is twee keer niks”, was haar motto.

Miek bakte iedere avond pannenkoek. Coos en Hanneke hebben die gewoonte meegenomen naar de Lamperen en later ook in de bejaardenwoning in de Groenhoeven. 
Willem van de Kolk (21.09.1906), de broer van Coos, is getrouwd met Marie Lamers (21.03.1913). Zij hebben op het Ham geboerd. Zij zorgden voor een nieuwe tak met veel kinderen van de familie “van de Kolk” in Wanroy. Willem en Marie hebben, toen de kinderen de boerderij overnamen, een tijd lang gewoond in een bejaardenhuis. Toen Willem op 09.09.1991 stierf is Marie naar het verzorgingshuis de Lookant gegaan. Marie is daar op 29.11.2001 gestorven.
 

Op de Lamperen

Lamperen 12 was een lange boerderij die haaks op het voorhuis stond. Het voorhuis stond aan de Lamperse pad zoals ook de boerderijen van Lamperen 16 t/m Lamperen 4. De Lamperse pad was een voetpad naar het dorp. Vóór het tijdperk van de fiets ging men te voet naar het dorp. De fiets deed pas zijn intrede in Wanroy in de jeugd van Coos en Hanneke. Pastoor Glaudemans kon op zijn preekstoel heftig te keer gaan tegen jonge dames die het waagden zo’n onzedelijk geval als een fiets te bestijgen en hij schrapte hen uit de Hl. congregatie.
De Lamperse straat, een sintelweg, diende voor het goederenvervoer, dat per koets, korte kar en lange kar plaats vond. De boerderij stond met de achterkant naar de Lamperse straat met de grote deur van de potstal naar de straat. Die potstal was een verdiept gedeelte in het achterste stuk van de boerderij. In dat gat stonden vroeger de koeien gestald. Daar werden ze met plaggen en stro droog gehouden. Zo groeide de mestlaag langzaam aan naar boven, de koeien liepen er boven op. Als in het voorjaar de koeien weer de wei in gingen werd met de korte kar de dikke mestlaag uit de potstal uitgevaren. Er moest zoveel mogelijk mest geproduceerd worden, want kunstmest kwam pas later in zwang en zonder mest groeide er niets op de Wanroyse grond.

Toen Coos daar boerde was er aan de voorkant van de potstal al een koeienstal gebouwd, waar de koeien tussen de repels stonden. De mest van de koeien werd eerst in de potstal en pas veel later op de mestvaalt opgeslagen.
Het voorhuis had nog geen gang. Met de voordeur viel je direct in “den heerd” binnen. Dat was de grote ruimte met plavuizen, waar praktisch het hele huishouden zich afspeelde. Zaterdags werd er geschrobd en bij gelegenheid ook fijn zand gestrooid.
Tegenover de voordeur had je de schouw, waar het spek, de hammen en de worst droogden. Naast de schouw was de bedstee. Daar wilden de kinderen graag in slapen. Dan konden ze alles horen als de boeren in  “den heerd” aan het kaarten waren.
Als je in de schouw naar boven keek, keek je door het gat van de schoorsteen naar buiten. Het huis werd goed geventileerd. Onder de voordeur zat een flinke spleet en de tocht van onder de voordeur kon door niets gehinderd zo de schoorsteen uit. Als je in de winter tegen de platte buis kachel onder de schouw zat moest je voortdurend omkeren om niet helemaal koud aan één kant te worden.

Op de boerderij was alles selfsupporting. Zelfvoorziening zeiden ze in de oorlog. Moeder bakte brood in het bakhuis. Takkenbossen in de oven aansteken, als het vuur uitgebrand was de as uit de oven halen en het brooddeeg in de hete oven schuiven. Vlees, groenten en fruit werden ingezouten, ingemaakt of ingekuild. Die manier van helemaal voor jezelf zorgen kwam in de tweede wereldoorlog goed van pas. 
De meid stond om vijf uur in de morgen op, de hond werd in trekkar gespannen, drie melkbussen werden in de kar gehangen en zo ging het naar het Broek om te melken.
In het Broek had Hanneke, de vrouw van Coos, voor ze getrouwd was  nog koeien gehoed.
Het Broek was vroeger “gemene grond” en daar werden de koeien van de boeren ingeschaard.
Coos en Hanneke van de Kolk hebben twee meiden gehad. Die hadden ze gehuurd bij Stan van den Broek in Langenboom. Bets kwam in dienst toen ze pas getrouwd waren. Ze bleef acht jaren, ze deed alle boerenwerk. Ze ging weg om als zuster in te treden bij de Franciscanessen van Veghel. Haar zuster Cato heeft daarna nog zeven jaren als meid gediend tot ze zelf aan trouwen toe was.
 

In de oorlog

In de oorlog - het was in de zomer van 1942 - kwamen de Engelse vliegtuigen overvliegen om Duitsland - vooral het Roergebied - te bombarderen. Dat was vuurwerk, een prachtig gezicht. Voor de Duisters was het minder leuk. Met schijnwerpers probeerden de Duitsers zo’n vliegend fort in het licht te zetten. Duitse jagers vielen dan aan. Dan kon er van alles gebeuren.
Er zijn heel wat vliegtuigen naar beneden gekomen.Er was al eens een brisantbom vlak achter de boerderij gevallen.

Maar midden in de zomer en midden in de nacht - de familie van de Kolk lag in bed, ze waren deze keer nog niet opgestaan - gooit een Engels vliegtuig zijn voorraad brandbommen naar beneden. Waarom weet niemand, maar het vliegtuig keert om terug te vliegen naar Engeland. Vanaf de Rooie beek - een strook brandbommen van 50 meter breed - over de Lamperen 12 naar de Lamperse hei.
De knecht die op de opkelder sliep kreeg twee brandbommen door zijn bed, ze sloegen door de vloeren heen. De familie als de bliksem uit het bed en naar buiten. Het leek of de wereld verging, rondom een vuurzee, de vlammen sloegen meteen het dak uit.
Coos van de Kolk had zijn zoon Tien, die met een gewicht aan been in bed moest liggen, het huis uit gesleurd. Hij riep: “hier komen allemaal”.
Annie, zes jaar oud, zat nog in een bedje met opstaande hekjes. Coos het huis in en kwam met Annie terug. Even later zakte het huis brandend in elkaar. Letterlijk alles ging in vlammen op. De familie werd opgevangen door de buurt. Coos bleef bij de brand en probeerde met het water uit de put de brandkast nat te houden. Toen Duitse soldaten van het schijnwerpershuisje op de Lamperse hei hem  probeerden weg te sturen heeft hij ze onheus bejegend.

Op de boerderij waren zeker 20 brandbommen terecht gekomen.De volgende dag hadden de kinderen van buurt al gauw enkele blindgangers gevonden. En proberen hoe zo’n ding werkte. Uit elkaar schroeven, het ding in de beek gooien. Als er water bij kwam ging die brandbom nog harder te keer. De grootste durver zou er wel eens op plassen.
De familie moest wel ergens wonen. Het oude huis van Willem van Dommelen, bij kruising van de Lamperse straat en de Molenweg, naast Lamperen 2, stond leeg. Het was behoorlijk in verval. De plek waar het stond heette toen nog Hulsbeek. Het Hulsbeekje liep vroeger tussen Lamperen 2 en Lamperen 4. In dat huis was Hanneke van Dommelen opgegroeid. De eerste negen jaar woonde ze in de Berkenbosch, een versterkte hoeve in Ledeakker, waar vroeger een gracht omheen lag. Toen Hanneke  negen jaar oud was verhuisde naar de Hulsbeek.

Het oude huis van Willem van Dommelen was een krot, maar bij gebrek aan beter is de familie er ingetrokken. Wie op de opkelder sliep kon zo naar de sterren kijken en als het sneeuwde, viel er ook sneeuw op je bed. Trouwens als het echt koud was, bevroor de adem tegen de deken. Maar je was onderdak al was het er wel vochtig en tochtig.
Omdat alles was verbrand heeft Coos van de Kolk in de oorlog veel moeten ruilen om zich weer enigszins te kunnen behelpen.

Hanneke van Coos kon spinnen en breien als de beste. De schapen leverden de wol. Ze kon ook heel goed kostuum naaien. Dat had ze geleerd bij Marjanneke van de Lokkant.

Er werd boter en kaas gemaakt, olie geslagen, surrogaat koffie gebrand, zeep gemaakt. Er af en toe verdween er een varken uit de administratie. Als in de avond het licht wat zwakker was en een beetje flikkerde kon je er donder op zeggen dat de boeren in de buurt stiekem koren of tarwe aan het malen waren.
 

Na de oorlog

Tien van de Kolk, een broer van Coos en Willem, verbleef in de oorlog voor zijn hogere studie bij de paters van Mariannhill in het kasteel van Blitterswijk. They, de zoon van Coos was daar ook een jaar lang vanaf augustus 1943 in het Klein Seminarie. Hij kon in augustus 1944 niet  terug vanwege de invasie van de geallieerden in Normandiě.
De Duitsers evacueerden het kasteel en hebben het later bij de verdediging van de slag om Overloon opgeblazen.

De paters en fraters (in opleiding voor pater) werden naar Duitsland getransporteerd. Frater Tien is daar weggekomen en is door de linies  naar huis in Wanroy gegaan. Hij kwam daar ruim vóór de bevrijding aan. Zijn moeder Miek Cornelissen was intussen gestorven.
Vóór de bevrijding op 05.05.1945 was hij al weer vertrokken naar het klooster St.Paul in Arcen. Dat was het hoofdkwartier van generaal Model geweest bij het Ardennenoffensief. 
Je kon mocht niet over de balleybrug in Venlo, maar Toon Cornelissen,  we noemde hen Toon van de Velde, heeft Tien van de Kolk, de broer van Coos en They zijn zoon met zijn auto over die brug gereden.
De bevolking aan de andere kant van de Maas was gedeporteerd naar Groningen.

St.Paul was zwaar beschadigd, er was geen enkele ruimte zonder flinke schade. Tien en oomzegger They hebben aan de opruiming gewerkt. Ze zijn groenten gaan telen en hebben de situatie voorbereid voor de terugkeer van de gedeporteerden na de bevrijding. Er waren vijf mensen aan die kant van de Maas en voor de rest waren het allemaal Engelse militairen. Langs de Rijksweg lag aan beide kanten twee meter hoog opgestapeld allerlei minutie. Niemand keek er na. Een paradijs voor jonge mensen die willen experimenteren.
Nederland moest weer opgebouwd worden. In het kader van de wederopbouw werd er in 1947 begonnen met een nieuwe boerderij op Lamperen 12. Eerst een schuur en een jaar later de boerderij. De kinderen groeiden geleidelijk op en de boerderij op Lamperen 12 floreerde.

Voordat de boerderij klaar was, ging Coos zich motoriseren. Hij kocht een motor en hij ging een rijbewijs halen. In Venray deed hij zijn rijexamen. Een rondje rijden en hij was geslaagd. Die motor heeft veel diensten gedaan, ook voor de kinderen die geen rijbewijs hadden.
Ook de paarden konden  het rustig aan doen. Er kwam een soort vrachtwagentruck met hoge gearing, die als tractor moest dienen. In de zomer werd er vroeg opgestaan, in de middag moest er dan gerust worden en in de avond werd er gewerkt tot het donker was. Om kattekwaad te voorkomen moesten ook de kinderen hun middagdutje doen. Tien en Piet, zonen van Coos, wilden die tractor ook wel eens proberen. Ze slopen uit de slaapkamer en startten de truck. Hij tjoekte,  ze zetten hem in de versnelling en waarachtig hij reed tegen het bakhuis op, ging er rechtop tegenaan staan en tjoekte op zijn achterpoten door, tot Coos uit zijn middagdutje kwam.

Intussen was Tien van de Kolk priester gewijd, hij had een tijd les gegeven aan het seminarie van Mariannhill en later was hij naar de  missie in Zuid-Afrika vertrokken.
In 1975 zijn Coos van de Kolk en zijn vrouw Hanneke van Dommelen op bezoek gegaan bij heerbroer Tien in de missie. Hanneke was toen 75 jaar en had een nieuwe heup. Truus, de vrouw van zoon They, ging mee als chauffeur. Coos maakte met iedereen in het vliegtuig een praatje zoals hij dat thuis ook altijd deed. Zijn wanroys verstonden ze even goed als elke andere taal die hij gebruikt zou kunnen hebben.

In Afrika zijn ze van ene missiestatie in de rimboe naar de andere statie getoerd. Ze waren bijzonder ingenomen met de mentaliteit van de zwarten. Afrika was heel mooi, vonden ze, maar dat was de Peel ook,  toen ie nog niet ontgonnen was. Maar wie had er nou iets aan zo’n wildernis ? Toen ze het Krügerpark bezochten en de wilde dieren van een afstand zagen, zeiden ze: “Dan kun ze beter in een hok in een dierentuin hebben, dan kun je ze tenminste goed zien”. Alles bij elkaar was de reis naar Afrika een geweldige ervaring.
 
 

Op de oude dag

Coos van de Kolk was al voor zijn reis naar Afrika uit de boerderij op de Lamperen gestapt. Zijn zonen wisten het toch allemaal beter. Op een schip hoort maar één kapitein. Hij stapte over op een ander schip en begon opnieuw te boeren. Een stuk bos ging in de fik en hij ging asperges telen. Later moest ie natuurlijk zijn bos opnieuw aanplanten, maar toen had was de beste aspergetijd al weer voorbij. Er kwam een hut in het bos en jarenlang heeft hij een groentetuin in het bos gehad. Elke dag toerde hij met zijn brommer naar het bos achter de Lamperen.
Bij zijn gouden bruiloft in 1978 vroeg hij als cadeau een brommer.
Bij zijn diamanten feest (zestig jaar getrouwd) tufte Coos nog vrolijk op zijn brommer. Toen ze negentig jaar waren fietsten Coos en Hanneke nog en Coos hield het vol op zijn brommer tot hij 93 jaar was.  
In de zomer toerde hij in korte broek door het dorp. Als oude vrouwtjes daar schande van spraken dan genoot hij daarvan. Hij is altijd een beetje ondeugend gebleven. 
Toen de mensen van de bezoekersdienst hem vroegen, hoe het toch kwam dat hij nog zo goed bij zijn verstand was - hij was toen 97 jaar en woonde in de Lookant - zei hij ondeugend: “dat komt omdat het niet veel gebruikt heb”.

Toen de hartklep van Hanneke het geleidelijk aan begon af te laten weten, zijn ze moeten verhuizen naar het zorgcentrum in St.Anthonis, waar ze een kamer voor twee personen konden krijgen. Op 15.11.1992 is moeder Hanneke gestorven was. Coos ging weer terug naar Wanroy naar het verzorgingshuis de Lookant. Hij was lang de oudste inwoner van Wanroy. Hij had er veel zien gaan. Hij was graag in de Lookant, omdat hij daar meer mensen kende en die mensen kenden hem ook. Op 03.03.1999 is hij gestorven.

 
Over de streek

De Peel

Het Land van Cuyk, waartoe Mill en Wanroy behoorde, lag tussen de Maas en de Peel. De Maas, een regenrivier, overstroomde regelmatig en werd door dijken tegengehouden bij St.Hubert en Mill. De Peel, een woestenij van ongeveer 1000 vierkante kilometer (65 km lang en 15 km breed), strekte zich uit van Grave tot Weert. De Peel ontstond na de laatste ijstijd die ongeveer 15.000 jaar geleden eindigde. Het was een moerasgebied, een hoogvlakte met heuvels aan de randen die de afwatering naar de Maas en de Dommel en de Aa bemoeilijken. De vorming van het veen is begonnen tussen 8.000 en 6.000 jaar voor Christus. Het veenmos houdt het regenwater vast en heeft geen grond nodig en breidt zich als een dik pakket over grote oppervlakten uit. Het sluit de grond volkomen af, de wortels van de bomen krijgen geen adem meer en sterven af. De veenlaag groeit aan de bovenkant door en zo ontstaat er een dik turfpakket. In Helenaveen was die laag wel negen meter dik.                   

De oorspronkelijke zandondergrond liet vanwege leemlagen geen water door en verschilde in hoogte. Daardoor ontstonden er verschillen in de dikte van het veen en ook peelvennen. Op sommige hoge terreingedeelten of op zandruggen ontstond helemaal geen veen. Op die plaatsen was de Peel begaanbaar. In de middeleeuwen was gevaarlijk om de Peel over te steken. De Peel had een slechte naam, het was een door God en mensen verlaten oord, waarin schaap, hond en herder spoorloos verdwenen en de verdwaalden reiziger verzonk. Tot in 19e eeuw werden er ook nog wolven gesignaleerd. De Peel vormde een natuurlijke barrière voor verkeer, handel en cultuur. Het dialect aan beide kanten van de Peel was dan ook erg verschillend. Het was een onbegaanbare woeste en kale vlakte. Aan de randen kon je twintig kerktorens zien liggen. Van Venray naar Deurne was er een oversteek, maar bij slecht weer ook onbegaanbaar.

Gemene gronden

De heren stonden de gemeenten toe om gebruik te maken van de gemene gronden. Dat waren niet ontgonnen gebieden in de Peel, maar ook wel graslanden in het broek aan de kant van de Maas en bossen aan de rand van de Peel. De boeren en burgerbevolking kon daar turf steken, hei afplaggen, schapen hoeden, bezem binden en leem halen. Het beheer van de gemene gronden lag in handen van de bestuurders. De gebieden werden afgebakend met lange staken, die in een rechte lijn tussen de kerktorens werden gezet.
De heidevelden in de Peel werden door de bewoners in stand gehouden. Eén schaap had één hectare heide nodig. Om één hectare akkerland te betelen had je zes hectaren heideplaggen en schapenmest nodig, want kunstmest was er toen nog niet. Dat moest met beleid gebeuren, want te veel aan een stuk plaggen, betekende zandverstuivingen. Dan waaide alle bouwgrond onder het stuifzand en dat moest later allemaal weer worden afgegraven. Plaggen en heistrooisel (gemaaide hei) werden uit de Peel gehaald om de koeien in de potstal droog te houden en vooral om mest te produceren. Die mest werd eens per jaar uitgevaren. 
Op die manier is de zwarte teelaarde in de akkerbouwgebieden ontstaan. Er werd vóór 1900 niet veel grond ontgonnen. Dat was niet mogelijk omdat men daar te weinig stalmest voor had.

Ontginningen

Sommige plaatsnamen wijzen op heel vroege ontginningen. De naam Venray komt van rode (ontginning /nederzetting) bij vennen. Wanroy herinnert ook een rode (ontginning). De plaatsen die eindigen op lo of el herinneren aan nederzettingen bij onontgonnen gronden en geleidelijke cultivering. 
Er was toen wel guano (gedroogde vogelmest uit Zuid-Amerika), maar   de arme boeren waren nog weinig ondernemend. Dat veranderde door de komst van het kunstmest. De heidevelden waren niet meer nodig voor de plaggen en de schaapkudden krompen. Er werden grote stukken heide ontgonnen. Tegelijkertijd werd de vervening grootscheeps aangepakt.
De ondergrond van de verveende stukken was geschikt voor tuingrond.
Er werden ook grote stukken bos aangeplant. Dat leverde stuthout op voor de mijnen. Ook hiervoor was een grootschalige aanpak nodig, het duurde immers lang voor de opbrengst verzilverd kon worden.

In 1864 verkocht de staat de Princepeel. Daar werd 570 ha ontgonnen onder leiding van Dominicus van Ophoven. In 1874 werd de stoomploeg ingezet bij de ontginning. De balansploeg werd 75 cm diep met kabels van de locomotief aan de ene kant van het perceel naar de locomotief aan de andere kant getrokken.

 

***