Bij de oermenschen


Verhalen uit het boek uit 1919 van
mijn oudoom pater Josef van de Kolk

Reacties naar: tel. 0412-623026, e-mail: juul.vd.kolk@home.nl
 

Deze foto is gemaakt tijdens de derde Zuid-Nieuw-Guinea Expeditie van 1912-1913. Papoea's in prauwen op de Lorentzrivier (tegenwoordig Unir).Bron: www.tropenmuseum.nl

Deze foto is gemaakt tijdens de tweede Zuid-Nieuw-Guinea Expeditie van 1909-1910. Dajaks met varken in Kamp Alkmaar, tweede Lorentz expeditie. Bron: www.tropenmuseum.nl

100 jaar katholieke kerk Merauke 1905 - 1950

Kerk

Foto's 100-jarig bestaan

logo

Het betonnen beeld in het logo van de website 'Vrienden van Mariannhill Nederland' heb ik gemaakt toen ik 23 of  24 jaar was.


Bij de koppensnellers


Snuffelend in een antiquariaat vond ik een boek “Bij de oermenschen van Nederlandsch Zuid-Nieuw-Guinea”, uitgegeven in 1919, geschreven door Jos van de Kolk, missionaris van het H. Hart. Hij was een oom van mijn vader.
Spanje, Portugal, Engelsen en Hollanders scharrelden eeuwen lang langs de kusten van Nieuw-Guinea, maar het bleef nog terra incognita (onontdekt).
Bij een ruwe verdeling kreeg Nederland na 1828 ongeveer de helft, de westelijke helft, groot 397.000 Km2. Dat is altijd nog twaalf keer zo groot als Nederland zelf.
De koppensnellers uit het Nederlandse gedeelte vielen regelmatig het Engelse gedeelte binnen om te snellen en te roven. Bij het koppensnellen werd mensenvlees gegeten (vooral de hersens). De kinderen werden geroofd en als eigen kinderen opgevoed. Dat was al te barbaars, dus er moesten politie-posten worden gevestigd.

Merauke
In januari 1902 werd Merauke gesticht. De heer Kroesen trad op als eerste Zelfstandig-Assistent-Resident. “Daarmee begon de geschiedenis van de beschaving van Zuid-Nieuw-Guinea”, aldus mijn oudoom. Het ging niet gemakkelijk. De inheemsen en de beschavers vertrouwden elkaar niet. Bovendien maakten malaria en beri-beri veel slechtoffers onder de uitheemsen (Europeanen, Ambonezen en Chinezen).
“Merauke is poe (vreemd, niet eigen)”, zeiden de inlanders.
De Marindinezen moesten al hun gesnelde koppen inleveren. Over een kustlengte van 6 uur lopen (6 dorpen) haalden men 100 vers gesnelde opgesierde mensenhoofden op. De oudere schedels van minder waarde waren ontelbaar. Grote hopen werden verbrand, een lugubere schoonmaak.
De Marindinezen zijn primitief volgens mijn oudoom. Er is geen gezag. Alleen de oudsten, de dappersten, slimsten en vooral de brutaalsten hebben er iets te zeggen.
Zij zijn naakt, sieren hun lijf des te meer op. Zij kennen geen Opperwezen. Het vergaat er van de geesten. Zij hebben een rijke taal, zij kennen geen abstracte begrippen.
Telwoorden ontbreken, met behulp van 1 en 2 kunnen ze ongeveer tot zes tellen.

Ruwe harten
Het Marindinese volkkarakter valt bij nadere inzien mee. Koppensnellers, menseneters, kinderrovers, bloedwrekers, het klinkt zo akelig! Maar deze mensen zijn beter dan hun daden. Naast de grofste onzedelijkheden vind men er de fijnste kiesheid en zeer strenge zedenwetten.
Wonderlijk genoeg zijn ze van nature zacht, goed, vriendelijk, gastvrij en vriendelijk.
De missionarissen waren er welkom. Hun toewijding, verpleging van zieken en gewonden, hun tegemoetkoming won de ruwe harten van de inboorlingen. Zij konden overal veilig komen. Men luisterde graag naar hen.
In 1910 werd de missie (twee paters en een broeder) uitgebreid. Twee dagreizen verder kwam een nieuwe missiepost. Drie nieuwkomers (mijn oudoom, nog een pater en een broeder)
gingen daar aan de slag.
“Wat een werk ligt er hier voor ons”, verzucht mijn oudoom, “en we zijn maar met een paar
missionarisen, hoe komt dat toch”. Hij antwoordt met een citaat uit de “Tijd” (13 maart 1909)
Het katholieke kamerlid W.H. Bogaardt zegt: “De particuliere liefdadigheid geeft veel aan de Missie maar toch te weinig. Missionarissen zijn er genoeg maar ze kunnen niet naar de Missie. Daar hebben we geen geld voor. Alleen de reis naar de Missie kost al meer duizend gulden.”

***

Kennismaking met de wilden

“Een eerste kennismaking met wilden is er telkens weer een van gemengde aandoenlijkheid”, zegt mijn oudoom, pater Josef van de Kolk. Ik citeer uit zijn boekje “Bij de oermenschen van Zuid-Nieuw-Guinea”
Je staat voor natuurgenoten, ver beneden ons gezonken, ze lijken soms bijna dieren. Je bent naar hen toe gekomen om hun leven te verbeteren. Met hen moet je voortaan leven, praten,
lijden, hopen en blij zijn. Je zoekt vertrouwen in hun wilde ogen, goedheid in hun ruwe lach, vriendelijkheid in hun overstaanbare woorden en gemoedelijkheid in hun gebaren. Daarin komen de Marindinezen je volop tegemoet. Zij aaien je baard met hun smerige vingers, je wordt betast en geknepen met kreten van bewondering en zacht gefluit. Je bent voor hen een nieuw soort mens, je wordt gemonsterd door mannen en vrouwen, jong en oud en je zegt dat je gekomen bent als hun namek (broeder en vriend).

Vervaarlijk
Maar ja, het zijn koppensnellers en ze zien er zo vervaarlijk uit. Ze zijn zo vies, ze lijken zo brutaal in hun doen, zo naakt in hun verschijnen. Maar alles went en je krijgt medelijden. Je leert hun taal spreken, je leert hun naam kennen en daar zijn zeer mee vereerd.
Na deze eerste kennismaking gingen we op weg om een nieuwe missiepost te stichten. Op 1 juli 1919 stak ik met een broeder in Merauke van wal met een zeilbootje.
Tegen de avond van volgende dag bereikten we het riviertje waaraan de missiestatie Okaba lag.
“Mijn hartje popelde”, schijft mijn oudoom, “daar gaan we leven, hoe zullen ze ons ontvangen. Het was geweldig, zoals altijd. We zetten in met een feestje. De omgeving was uitgenodigd en ze kwamen met meer dan we hadden verwacht. Nog nooit hadden deze wilden een Hl. Mis bijgewoond.

Loeske
Me dunkt dat op het ogenblijk van de Hl. Consecratie de goede Jezus met liefdevol medelijden moet hebben neergezien op die verdoolden schaapjes nieuwsgierig aan Zijn voeten. Ze konden nog niet bidden, ze beseften niets van het grote gebeuren. Men vond de plechtigheden toch loeske (mooi): vond alles zo ernstig, waardig en eerbiedig, iets wat ze bij hun eigen ceremonies hoog op prijs stellen.
Daar kwamen de talrijke kerkgangers echter niet zozeer voor. Hen was beloofd dat ze rijst kregen. Na de mis begon de tractatie: emmers en blikken vol gekookte rijst. De somb-anin (ouderen) kregen ook pruimtabak, de kinderen kraaltjes en ze waren allemaal gelukkig.
Het werkte als een slag op de grote trom. Daarna begon het eigenlijke werk van taai geduld.
Stap voor stap totdat het Onze Lieve Heer moge behagen deze arme natuurmensen tot Zijn bevoorrechte kinderen aan te nemen. Zeer langzaam zullen we vorderingen maken. De zaaiers zullen hier niet maaien, des te ijveriger zullen ze werken en bidden voor de goede oogst."

***

De dood van Nabi

In het droge seizoen worden de tuinen bewerkt. Groot en klein verblijft tot de regentijd dag en nacht in de tuinen, die een paar uur van het dorp liggen. Op een bepaalde dag kwamen ze plotseling terug naar het strand. Kleine Nabi klimt als een kat in de hoge palmbomen. Hij was uit de boom gevallen. Dood. Het lijkje werd voor zijn moeder neergelegd en opgemaakt met versieringen. Vader en moeder huilden en klaagden, ze zongen hun verdriet uit. Rondom hen veel vrouwen diep geroerd en het gezicht met witte klei ingesmeerd.
Na de middag werd hij begraven. Men groef een brede diepe kuil. Een halve meter boven de bodem werd een brits van sagostengels gemaakt. Daar werd het lijkje eerbiedig opgelegd met naast hem zijn pijl en boog, zijn drinknapje en zijn vishengel. De vrouwen jammerden, de mannen zuchten.
Het graf werd gesloten met een deksel van sagostengels bedekt met boomschors. Er werd zand op gestrooid. Daarover bamboetakken om de honden en varkers te weren. De dag daarna werd het graf weer geopend voor de familie.

Eerbied
Verschrikkelijk! Het lijkje was misvormd. De ogen puilden wit uit. Water en bloed borrelden uit de mond. Vochtblaasje over het hele lijf. Vader daalde in het graf, hij deed zijn drinknap halfvol wati (een bedwelmend sap) en vulde deze met vocht uit de blaasjes. Hij dronk dit allemaal in een teug leeg. Het lijk bestreek hij verder met rode aarde zodat het er weer netjes uitzag. Daarna werd het graf weer opgemaakt. Als later alleen het skelet nog over is begraaft men hem onder het zand.
Als men vraagt naar de betekenis hiervan, krijg je het antwoord: “dat is zo onze gewoonte”. Waarschijnlijk weten ze het niet, maar uit alles blijkt eerbied voor het lijk en liefde.

Tovenaars
Dit sterfgeval had een staartje. We merkten als iemand pas dood was, dat men angstig was voor betovering. Het lijkt er op dat de tovenaars na de dood van een geliefde een soort slachtoffer aanwijzen. Een vrouw had afgeluisterd hoe de tovenaars vaststelden dat Nabi´s eigen vader moest sterven omdat zijn zoon gestorven was. “Ik weet niet waarom”, zegt mijn oudoom. Misschien waren de geesten boos omdat vader niet goed op zijn zoon gepast had. Of was het gezin Nabi door de dood een ongeluksfamilie geworden. Hoe dan ook, de vader van Nabi moest dood. Gelukkig vertelde de vrouw die het had afgeluisterd het tegen mij. Ik vertelde het tegen Nabi's grootvader. Hij dacht na en zei: “Toewan, als het jamoe (dodenfeest twee weken na de begrafenis) is, dan komen alle mannen naar het graf. Dan moet jij ook komen. Dan zeg jij dat je alles weet en dat je de namen van tovernaars zult noemen. Dan durven ze de vader van Nabi geen kwaad meer te doen. Hij moet wel thuis blijven en bij de missie eten”.

Zo gezegd, zo gedaan. Op de jamoe-avond hurkte ik neer in de kring rond het graf. We hadden een tijdje gezellig zitten praten en ik vroeg het woord. De oudste zei: “Spreek toewan”. Het was stil. Ik weet niet meer wat ik gezegd heb maar het trof doel. Een van invloedrijkste mannen zei: “Toewan, uw woorden zijn goed en uw oog is streng, tovenarij is slecht. Noem ons de namen van de tovernaars”. Mijn antwoord was: “Dat doe ik als de vader van Nabi iets overkomt”.

***

Koppensnellen

Sommige geleerden vinden het jammer dat wilde volken beschaafd gemaakt worden. Hun cultuur verdwijnt daardoor, dat is een verlies voor de wetenschap. Onder elke stap verder in de beschaving verdwijnen zeldzame bloempjes voor de mooie etnologie (volkerenkunde).
“Daar hebben ze groot gelijk in”, zegt mijn oudoom, missionaris Josef van de Kolk. Daarom probeert hij de betekenis van het verschijnsel “koppensnellen” te achterhalen. Hij beseft dat hij te weinig etnoloog is om te hopen dat dit “interessante gebruik” nog lang blijft bestaan om het onvervalst te kunnen bestuderen. Voor hem geldt: hoe eerder dit barbaarse gedoe van de baan is, hoe liever.

"Toen we hier weer eens te maken kregen met een sneltocht, ben ik iets meer te weten gekomen, al sta ik niet voor de juistheid en volledigheid van de gegevens. De Marindinezen zijn zeer voorzichtig geworden. Het wordt bestraft en overal heb je hier handelaren en buitenlands volk met een afkeer van koppensnellen. Koppensnellen is ook een moeilijke onderneming. De tochten zijn ver en moeilijk door moeras en bos met vrouwen, kinderen en proviand. Het gebied moet verkend worden er moet telkens gefourageerd worden."

Snelnaam
"De sneltocht heet in het Marindinees koei en een koppensneller koeirik of sokrik of sok-anem.
Daarin zit sok, het woord voor een vlijmend scherp bamboelatje dat als mes gebruikt wordt.
De aanval op een dorp gebeurt diep in de nacht of vroeg in de morgen. De hutten worden overrompeld. Ze schieten met pijlen op de vluchters. Aan een somv-anem (oude man) komt de eer toe om wie gepakt wordt met zijn sok te onthoofden. De romp laat men liggen, het hoofd wordt triomfantelijk meegenomen.
Het koppensnellen lijkt erg belangrijk voor hen want ze hebben er erg veel over. De drijfveer voor het snellen is echter geen vijandschap met andere stammen of wraak. Ze doen het ook onder elkaar.
Het hoofddoel voor snellen hier is om namen te hebben voor de kinderen. Een kind zonder “snelnaam” kan een ongelukskind zijn, dat het niet ver schopt. Toen het koppensnellen verboden werd was de klacht van de inboorlingen: “onze kinderen hebben geen namen meer”.

Beteuterd
"Ik zei eens: “ik kan jullie genoeg namen geven”. Ze keken me beteuterd aan. “Toewan je weet niet wat een snelnaam betekent”. De snelnaam (pa-igez) is de hoofdnaam van een Marindinees. Zij hebben ook bijnamen van een dier of een plant. Hun snelnaam heeft geen betekenis en dat is te verklaren. Wanneer iemand gesneld wordt, vraagt men eerst zijn naam.
Het antwoord is een hulpkreet of een verwensing, want de kop gaat er genadeloos af. Dat is de naam die de snellers voor hun kinderen onthouden.
Het gesnelde hoofd wordt van vlees en hersenen ontdaan, ingewreven en versierd op een paal gezet als middelpunt van feest en dans. De koppen werden in mannenhuizen bewaard. Ze zijn nu verboden en ook verdwenen. De geroofde kinderen werden als eigen kinderen opgevoed.
Hier in Okaba (ca. 500 inwoners) ken ik er 22 die geroofd zijn. Daar is verder niets van te merken."

***

Mijn missie ideaal

Bisschop Riccards uit Zuid-Afrika wilde een Trappistenklooster in de Kaapkolonie hebben. Zijn Afrikanen zouden dan goed leren werken en leven. Op het Trappistenkapittel in Frankrijk vroeg hij wie zich daartoe geroepen voelde. Geen belangstelling! “Als niemand gaat, ga ik”, zei de trappist Franz Pfanner. Hij was toen al 25 jaar priester en abt van Maria-Stern in Turkije. Hij formeerde een Gideonsbende van 31 vrijwillige Trappisten.
In Dunbroddy had bisschop Riccards een stuk woestenij gekocht waar zelfs een leger Trappisten niets van had kunnen maken. Ze trokken de woestenij door op zoek naar vruchtbare grond. Ze bleven steken op een heuvel die Maria Anna heette. “Hier bouwen we ons klooster en we noemen het Mariannhill”, zei de roodharige abt Franz.

“Loopt zo dat je wint”
Het klooster werd een stad. De naaste omgeving werd ontgonnen. Overal missiestaties, ontginningen, scholen en kerken, bruggen, wegen, hulpposten.
“Waar blijft de stilte van de Trappisten” vroegen sommigen. Ook de paus in Rome, vroeg het.
“Mensen hier zijn belangrijker dan onze stilte”, zei abt Franz. Zijn lijfspreuk was het devies van Paulus: “Loopt zo dat je wint”. Het werk ging door. “Betere velden, betere huizen, betere harten”, was het streven van zijn medebroeder pater Berhard Huss, een missionaris en ontwikkelingsideoloog avant la lettre. De Gideonsbende moest kiezen tussen de stilte van het klooster en het uitdagende ontwikkelingswerk van Mariannhill. De missiecongregatie Mariannhill werd opgericht.
Abt Franz trok zich terug in stilte op de missiestatie Emmaus. Vanuit Mariannhill werden hulpbronnen aangeboord in Europa. Mensen met een ideaal trokken vanuit Europa naar Afrika. Op Klein Vink in Arcen werd missiehuis St. Paul gebouwd om nieuwe aanwas te rekruteren, missionarissen van Mariannhill.

Wanroy
Mijn oom Martinus had tot zijn 25ste thuis op de stamboerderij in Wanroij gewerkt. Wanroij was toen nog een boerendorp aan de rand van de Peel, waar nauwelijks iets te beleven viel. Hij wilde wel eens meer van de wereld zien. Hij verliet de boerderij als een “late roeping” en kwam uiteindelijk terecht op St. Paul. Hij werd missionaris in Zuid-Afrika.

Ik ben als oudste van acht kinderen geboren op dezelfde boerderij als mijn oom. Toen de jaren van verstand naderden werd ik geconfronteerd met dezelfde vraag als mijn oom. Hier sta ik, wat zal mijn toekomst zijn. Ik koos de weg die mijn oom gegaan was. Ik deed alles wat ik moest doen om missionaris te kunnen worden. Een jaar voor mijn priesterwijding wilde ik mijn eeuwige gelofte doen. De rector vroeg me op te schrijven hoe ik over het katholieke geloof dacht. Dat deed ik. De oversten besloten dat ik geen missionaris kon worden bij gebrek aan voldoende geloof en dat ik terug naar huis moest gaan. Zij hadden waarschijnlijk gelijk, is mijn conclusie achteraf. Mijn missie ideaal is voor mij richtinggevend in mijn leven gebleven.

Mijn oom vertelde

Hij was missionaris van Marianhill in Zuid-Afrika in de 50er tot 80er jaren van de vorige eeuw. Het missiecentrum van zijn geboorteplaats Wanroij had hem een grote partij kleding gestuurd. Het aanbod werd ver overtroffen door de vraag in zijn parochie. De armsten kregen eerst. De kleding werd voorzien van een zacht prijsje en er werd een markt georganiseerd. Het liep storm. Hij nam drastische maatregelen. Iedereen mocht eerst drie kledingstukken kopen en na twee dagen opnieuw terugkomen, zodat anderen ook de gelegenheid kregen voor zo'n buitenkansje.

Portiunkelen
Mijn oom dacht daarbij aan de Portiuncula-aflaat. Op Allerzielendag was moeder de H.Kerk ook gul met haar geestelijk goederen. Na enkele schietgebeden moest men de kerk verlaten om voor een volgende serie aflaten in aanmerking te komen.
De financiële opbrengst gaf mijn oom aan zijn zwarte buurtpastoor want zijn schoolkinderen kwamen met honger naar school.
In zijn dankbrief aan het missiecentrum mijmert hij over een drama met happy end in textiele aangelegenheden.

In zak en as
Hij verhaalt over zijn geliefde tweedehands jasje waarop hij een onooglijk zwart vlekje ontdekte. Het was een zomerjasje, onverbeterlijk van kleur en snit. Een eenknoopsjasje met als bekroning een “lokkertje”, een driepuntig wit doekje in de borstzak.
Het vlekje leek een beetje op een naveltje dat te voorschijn treedt bij een bikini. Dat is textiel voor dames, legt hij geduldig uit, maar dan tweedelig. Ik citeer uit zijn dankbrief aan het missiecentrum: “Het vlekje op mijn jasje was niet zo gemakkelijk te verwijderen als het bijgeleverde lefdoekje. Ik zat er lelijk mee in de put, of liever gezegd, in zak en as. Bij nadere beschouwing bleek dat kleine gaatje er was ingebrand. Omdat ik de lelijke gewoonte heb om een pijp te roken was de vermoedelijke dader spoedig gevonden. Daarmee was het gaatje niet gestopt.

Spuw niet, denk aan de zondvloed
Ik stelde me gerust met de gedachte dat er grotere rampen op de wereld gebeuren. Zo kregen we in onze schooljaren eens bezoek van de inspecteur. Voor zijn vertrek schreef hij op het bord de vermaning: “Speel niet met vuur. Denk aan de brand van Londen”. Nauwelijks was hij vertrokken, schreef een medescholier er onder: “Spuw niet, denk aan de zondvloed”. De brand van Londen heb ik niet meegemaakt, evenmin de zondvloed, maar hun afmetingen overtroffen met zekerheid het gaatje in mijn jas.

Raak niet in paniek
Ik pijnigde mijn hersens om dit schoonheidsvlekje te herstellen. Ik ging pedagogisch te werk door eerst mezelf te straffen. Geen pijp die dag. Nadenken zonder te roken werkt bij mij onproductief. Een sigaret opgestoken en jawel de zoete inval kwam. Bij nader onderzoek leek het brandgaatje precies op de hoogte van de knoop te zitten. Na passen en meten bleek dat de knoop precies op het brandgaatje verzet kon worden. De operatie heb ik meteen tot volle tevredenheid uitgevoerd. Mijn tip is: “Raak niet in paniek. Probeer de ramp te overzien, er is wellicht een mouw aan te passen of zoals in mijn geval een knoop voor te verzetten”.


***