|

100 jaar katholieke kerk Merauke 1905 - 1950

Foto's 100-jarig bestaan

Het betonnen beeld in het logo van de website
'Vrienden van Mariannhill Nederland' heb ik gemaakt toen ik 23 of
24 jaar was. |
Bij de koppensnellers
Snuffelend in een antiquariaat vond ik een boek “Bij de oermenschen van
Nederlandsch Zuid-Nieuw-Guinea”, uitgegeven in 1919, geschreven door Jos
van de Kolk, missionaris van het H. Hart. Hij was een oom van mijn
vader. Spanje, Portugal, Engelsen en Hollanders scharrelden eeuwen lang langs
de kusten van Nieuw-Guinea, maar het bleef nog terra incognita
(onontdekt). Bij een ruwe verdeling kreeg Nederland na 1828 ongeveer de helft, de
westelijke helft, groot 397.000 Km2. Dat is altijd nog twaalf keer zo groot
als Nederland zelf. De koppensnellers uit het Nederlandse gedeelte vielen regelmatig het
Engelse gedeelte binnen om te snellen en te roven. Bij het koppensnellen
werd mensenvlees gegeten (vooral de hersens). De kinderen werden geroofd
en als eigen kinderen opgevoed. Dat was al te barbaars, dus er moesten
politie-posten worden gevestigd.
Merauke
In januari 1902 werd Merauke gesticht. De heer Kroesen trad op als
eerste Zelfstandig-Assistent-Resident. “Daarmee begon de geschiedenis
van de beschaving van Zuid-Nieuw-Guinea”, aldus mijn oudoom. Het ging
niet gemakkelijk. De inheemsen en de beschavers vertrouwden elkaar niet.
Bovendien maakten malaria en beri-beri veel slechtoffers onder de
uitheemsen (Europeanen, Ambonezen en Chinezen).
“Merauke is poe (vreemd, niet eigen)”, zeiden de inlanders.
De Marindinezen moesten al hun gesnelde koppen inleveren. Over een
kustlengte van 6 uur lopen (6 dorpen) haalden men 100 vers gesnelde
opgesierde mensenhoofden op. De oudere schedels van minder waarde waren
ontelbaar. Grote hopen werden verbrand, een lugubere schoonmaak.
De Marindinezen zijn primitief volgens mijn oudoom. Er is geen gezag.
Alleen de oudsten, de dappersten, slimsten en vooral de brutaalsten
hebben er iets te zeggen.
Zij zijn naakt, sieren hun lijf des te meer op. Zij kennen geen
Opperwezen. Het vergaat er van de geesten. Zij hebben een rijke taal,
zij kennen geen abstracte begrippen.
Telwoorden ontbreken, met behulp van 1 en 2 kunnen ze ongeveer tot zes
tellen.
Ruwe harten
Het Marindinese volkkarakter valt bij nadere inzien mee. Koppensnellers,
menseneters, kinderrovers, bloedwrekers, het klinkt zo akelig! Maar deze
mensen zijn beter dan hun daden. Naast de grofste onzedelijkheden vind
men er de fijnste kiesheid en zeer strenge zedenwetten.
Wonderlijk genoeg zijn ze van nature zacht, goed, vriendelijk, gastvrij
en vriendelijk.
De missionarissen waren er welkom. Hun toewijding, verpleging van zieken
en gewonden, hun tegemoetkoming won de ruwe harten van de inboorlingen.
Zij konden overal veilig komen. Men luisterde graag naar hen.
In 1910 werd de missie (twee paters en een broeder) uitgebreid. Twee
dagreizen verder kwam een nieuwe missiepost. Drie nieuwkomers (mijn
oudoom, nog een pater en een broeder)
gingen daar aan de slag.
“Wat een werk ligt er hier voor ons”, verzucht mijn oudoom, “en we zijn
maar met een paar
missionarisen, hoe komt dat toch”. Hij antwoordt met een citaat uit de
“Tijd” (13 maart 1909)
Het katholieke kamerlid W.H. Bogaardt zegt: “De particuliere
liefdadigheid geeft veel aan de Missie maar toch te weinig.
Missionarissen zijn er genoeg maar ze kunnen niet naar de Missie. Daar
hebben we geen geld voor. Alleen de reis naar de Missie kost al meer
duizend
gulden.”
***
Kennismaking met de wilden
“Een eerste kennismaking met wilden is er telkens weer een van gemengde
aandoenlijkheid”, zegt mijn oudoom, pater Josef van de Kolk. Ik citeer
uit zijn boekje “Bij de oermenschen van Zuid-Nieuw-Guinea”
Je staat voor natuurgenoten, ver beneden ons gezonken, ze lijken soms
bijna dieren. Je bent naar hen toe gekomen om hun leven te verbeteren.
Met hen moet je voortaan leven, praten,
lijden, hopen en blij zijn. Je zoekt vertrouwen in hun wilde ogen,
goedheid in hun ruwe lach, vriendelijkheid in hun overstaanbare woorden
en gemoedelijkheid in hun gebaren. Daarin komen de Marindinezen je volop
tegemoet. Zij aaien je baard met hun smerige vingers, je wordt betast en
geknepen met kreten van bewondering en zacht gefluit. Je bent voor hen
een nieuw soort mens, je wordt gemonsterd door mannen en vrouwen, jong
en oud en je zegt dat je gekomen bent als hun namek (broeder en vriend).
Vervaarlijk
Maar ja, het zijn koppensnellers en ze zien er zo vervaarlijk uit. Ze
zijn zo vies, ze lijken zo brutaal in hun doen, zo naakt in hun
verschijnen. Maar alles went en je krijgt medelijden. Je leert hun taal
spreken, je leert hun naam kennen en daar zijn zeer mee vereerd.
Na deze eerste kennismaking gingen we op weg om een nieuwe missiepost te
stichten. Op 1 juli 1919 stak ik met een broeder in Merauke van wal met
een zeilbootje.
Tegen de avond van volgende dag bereikten we het riviertje waaraan de
missiestatie Okaba lag.
“Mijn hartje popelde”, schijft mijn oudoom, “daar gaan we leven, hoe
zullen ze ons ontvangen. Het was geweldig, zoals altijd. We zetten in
met een feestje. De omgeving was uitgenodigd en ze kwamen met meer dan
we hadden verwacht. Nog nooit hadden deze wilden een Hl. Mis bijgewoond.
Loeske
Me dunkt dat op het ogenblijk van de Hl. Consecratie de goede Jezus met
liefdevol medelijden moet hebben neergezien op die verdoolden schaapjes
nieuwsgierig aan Zijn voeten. Ze konden nog niet bidden, ze beseften
niets van het grote gebeuren. Men vond de plechtigheden toch loeske
(mooi): vond alles zo ernstig, waardig en eerbiedig, iets wat ze bij hun
eigen ceremonies hoog op prijs stellen.
Daar kwamen de talrijke kerkgangers echter niet zozeer voor. Hen was
beloofd dat ze rijst kregen. Na de mis begon de tractatie: emmers en
blikken vol gekookte rijst. De somb-anin (ouderen) kregen ook
pruimtabak, de kinderen kraaltjes en ze waren allemaal gelukkig.
Het werkte als een slag op de grote trom. Daarna begon het eigenlijke
werk van taai geduld.
Stap voor stap totdat het Onze Lieve Heer moge behagen deze arme
natuurmensen tot Zijn bevoorrechte kinderen aan te nemen. Zeer langzaam
zullen we vorderingen maken. De zaaiers zullen hier niet maaien, des te
ijveriger zullen ze werken en bidden voor de goede oogst."
***
De dood van Nabi
In het droge seizoen worden de tuinen bewerkt. Groot en klein verblijft
tot de regentijd dag en nacht in de tuinen, die een paar uur van het
dorp liggen. Op een bepaalde dag kwamen ze plotseling terug naar het
strand. Kleine Nabi klimt als een kat in de hoge palmbomen. Hij was uit
de boom gevallen. Dood. Het lijkje werd voor zijn moeder neergelegd en
opgemaakt met versieringen. Vader en moeder huilden en klaagden, ze
zongen hun verdriet uit. Rondom hen veel vrouwen diep geroerd en het
gezicht met witte klei ingesmeerd.
Na de middag werd hij begraven. Men groef een brede diepe kuil. Een
halve meter boven de bodem werd een brits van sagostengels gemaakt. Daar
werd het lijkje eerbiedig opgelegd met naast hem zijn pijl en boog, zijn
drinknapje en zijn vishengel. De vrouwen jammerden, de mannen zuchten.
Het graf werd gesloten met een deksel van sagostengels bedekt met
boomschors. Er werd zand op gestrooid. Daarover bamboetakken om de
honden en varkers te weren. De dag daarna werd het graf weer geopend
voor de familie.
Eerbied
Verschrikkelijk! Het lijkje was misvormd. De ogen puilden wit uit. Water
en bloed borrelden uit de mond. Vochtblaasje over het hele lijf. Vader
daalde in het graf, hij deed zijn drinknap halfvol wati (een bedwelmend
sap) en vulde deze met vocht uit de blaasjes. Hij dronk dit allemaal in
een teug leeg. Het lijk bestreek hij verder met rode aarde zodat het er
weer netjes uitzag. Daarna werd het graf weer opgemaakt. Als later
alleen het skelet nog over is begraaft men hem onder het zand.
Als men vraagt naar de betekenis hiervan, krijg je het antwoord: “dat is
zo onze gewoonte”. Waarschijnlijk weten ze het niet, maar uit alles
blijkt eerbied voor het lijk en liefde.
Tovenaars
Dit sterfgeval had een staartje. We merkten als iemand pas dood was, dat
men angstig was voor betovering. Het lijkt er op dat de tovenaars na de
dood van een geliefde een soort slachtoffer aanwijzen. Een vrouw had
afgeluisterd hoe de tovenaars vaststelden dat Nabi´s eigen vader moest
sterven omdat zijn zoon gestorven was. “Ik weet niet waarom”, zegt mijn
oudoom. Misschien waren de geesten boos omdat vader niet goed op zijn
zoon gepast had. Of was het gezin Nabi door de dood een ongeluksfamilie
geworden. Hoe dan ook, de vader van Nabi moest dood. Gelukkig vertelde
de vrouw die het had afgeluisterd het tegen mij. Ik vertelde het tegen
Nabi's grootvader. Hij dacht na en zei: “Toewan, als het jamoe
(dodenfeest twee weken na de begrafenis) is, dan komen alle mannen naar
het graf. Dan moet jij ook komen. Dan zeg jij dat je alles weet en dat
je de namen van tovernaars zult noemen. Dan durven ze de vader van Nabi
geen kwaad meer te doen. Hij moet wel thuis blijven en bij de missie
eten”.
Zo gezegd, zo gedaan. Op de jamoe-avond hurkte ik neer in de kring rond
het graf. We hadden een tijdje gezellig zitten praten en ik vroeg het
woord. De oudste zei: “Spreek toewan”. Het was stil. Ik weet niet meer
wat ik gezegd heb maar het trof doel. Een van invloedrijkste mannen zei:
“Toewan, uw woorden zijn goed en uw oog is streng, tovenarij is slecht.
Noem ons de namen van de tovernaars”. Mijn antwoord was: “Dat doe ik als
de vader van Nabi iets overkomt”.
***
Koppensnellen
Sommige geleerden vinden het jammer dat wilde volken beschaafd gemaakt
worden. Hun cultuur verdwijnt daardoor, dat is een verlies voor de
wetenschap. Onder elke stap verder in de beschaving verdwijnen zeldzame
bloempjes voor de mooie etnologie (volkerenkunde).
“Daar hebben ze groot gelijk in”, zegt mijn oudoom, missionaris Josef
van de Kolk. Daarom probeert hij de betekenis van het verschijnsel
“koppensnellen” te achterhalen. Hij beseft dat hij te weinig etnoloog
is om te hopen dat dit “interessante gebruik” nog lang blijft bestaan om
het onvervalst te kunnen bestuderen. Voor hem geldt: hoe eerder dit
barbaarse gedoe van de baan is, hoe liever.
"Toen we hier weer eens te maken kregen met een sneltocht, ben ik iets
meer te weten gekomen, al sta ik niet voor de juistheid en volledigheid
van de gegevens. De Marindinezen zijn zeer voorzichtig geworden. Het
wordt bestraft en overal heb je hier handelaren en buitenlands volk met
een afkeer van koppensnellen. Koppensnellen is ook een moeilijke
onderneming. De tochten zijn ver en moeilijk door moeras en bos met
vrouwen, kinderen en proviand. Het gebied moet verkend worden er moet
telkens gefourageerd worden."
Snelnaam
"De sneltocht heet in het Marindinees koei en een koppensneller koeirik
of sokrik of sok-anem.
Daarin zit sok, het woord voor een vlijmend scherp bamboelatje dat als
mes gebruikt wordt.
De aanval op een dorp gebeurt diep in de nacht of vroeg in de morgen. De
hutten worden overrompeld. Ze schieten met pijlen op de vluchters. Aan
een somv-anem (oude man) komt de eer toe om wie gepakt wordt met zijn
sok te onthoofden. De romp laat men liggen, het hoofd wordt
triomfantelijk meegenomen.
Het koppensnellen lijkt erg belangrijk voor hen want ze hebben er erg
veel over. De drijfveer voor het snellen is echter geen vijandschap met
andere stammen of wraak. Ze doen het ook onder elkaar.
Het hoofddoel voor snellen hier is om namen te hebben voor de kinderen.
Een kind zonder “snelnaam” kan een ongelukskind zijn, dat het niet ver
schopt. Toen het koppensnellen verboden werd was de klacht van de
inboorlingen: “onze kinderen hebben geen namen meer”.
Beteuterd
"Ik zei eens: “ik kan jullie genoeg namen geven”. Ze keken me beteuterd
aan. “Toewan je weet niet wat een snelnaam betekent”. De snelnaam (pa-igez)
is de hoofdnaam van een Marindinees. Zij hebben ook bijnamen van een
dier of een plant. Hun snelnaam heeft geen betekenis en dat is te
verklaren. Wanneer iemand gesneld wordt, vraagt men eerst zijn naam.
Het antwoord is een hulpkreet of een verwensing, want de kop gaat er
genadeloos af. Dat is de naam die de snellers voor hun kinderen
onthouden.
Het gesnelde hoofd wordt van vlees en hersenen ontdaan, ingewreven en
versierd op een paal gezet als middelpunt van feest en dans. De koppen
werden in mannenhuizen bewaard. Ze zijn nu verboden en ook verdwenen. De
geroofde kinderen werden als eigen kinderen opgevoed.
Hier in Okaba (ca. 500 inwoners) ken ik er 22 die geroofd zijn. Daar is
verder niets van te merken."
***
Mijn missie ideaal
Bisschop Riccards uit Zuid-Afrika wilde een Trappistenklooster in de
Kaapkolonie hebben. Zijn Afrikanen zouden dan goed leren werken en
leven. Op het Trappistenkapittel in Frankrijk
vroeg hij wie zich daartoe geroepen voelde. Geen belangstelling! “Als
niemand gaat, ga ik”, zei de trappist Franz Pfanner. Hij was toen al 25
jaar priester en abt van Maria-Stern in Turkije.
Hij formeerde een Gideonsbende van 31 vrijwillige Trappisten.
In Dunbroddy had bisschop Riccards een stuk woestenij gekocht waar zelfs
een leger Trappisten niets van had kunnen maken.
Ze trokken de woestenij door op zoek naar vruchtbare grond. Ze bleven
steken op een heuvel die Maria Anna heette. “Hier bouwen we ons klooster
en we noemen het Mariannhill”,
zei de roodharige abt Franz.
“Loopt zo dat je wint”
Het klooster werd een stad. De naaste
omgeving werd ontgonnen. Overal missiestaties, ontginningen, scholen en
kerken, bruggen, wegen, hulpposten.
“Waar blijft de stilte van de Trappisten” vroegen sommigen. Ook de paus
in Rome, vroeg het.
“Mensen hier zijn belangrijker dan onze stilte”, zei abt Franz. Zijn
lijfspreuk was het devies van Paulus: “Loopt zo dat je wint”. Het werk
ging door. “Betere velden, betere huizen, betere harten”, was het
streven van zijn medebroeder pater Berhard Huss, een missionaris en
ontwikkelingsideoloog avant la lettre. De Gideonsbende moest kiezen
tussen de stilte van het klooster en het uitdagende ontwikkelingswerk
van Mariannhill. De missiecongregatie Mariannhill werd opgericht.
Abt Franz trok zich terug in stilte op de missiestatie Emmaus. Vanuit
Mariannhill werden hulpbronnen aangeboord in Europa. Mensen met een
ideaal trokken vanuit Europa naar Afrika. Op Klein Vink in Arcen werd
missiehuis St. Paul gebouwd om nieuwe aanwas te rekruteren,
missionarissen van Mariannhill.
Wanroy
Mijn oom Martinus had tot zijn 25ste thuis op de stamboerderij in
Wanroij gewerkt. Wanroij was toen nog een boerendorp aan de rand van de
Peel, waar nauwelijks iets te beleven viel.
Hij wilde wel eens meer van de wereld zien. Hij verliet de boerderij als
een “late roeping” en kwam uiteindelijk terecht op St. Paul. Hij werd
missionaris in Zuid-Afrika.
Ik ben als oudste van acht kinderen geboren op dezelfde boerderij als
mijn oom. Toen de jaren van verstand naderden werd ik geconfronteerd met
dezelfde vraag als mijn oom. Hier sta ik, wat zal mijn toekomst zijn. Ik
koos de weg die mijn oom gegaan was. Ik deed alles wat ik moest doen om
missionaris te kunnen worden. Een jaar voor mijn priesterwijding wilde
ik mijn eeuwige gelofte doen. De rector vroeg me op te schrijven hoe ik
over het katholieke geloof dacht. Dat deed ik. De oversten besloten dat
ik geen missionaris kon worden bij gebrek aan voldoende geloof en dat ik
terug naar huis moest gaan. Zij hadden waarschijnlijk gelijk, is mijn
conclusie achteraf. Mijn missie ideaal is voor mij richtinggevend in
mijn leven gebleven.
Mijn oom vertelde
Hij was missionaris van Marianhill in Zuid-Afrika in de 50er tot 80er
jaren van de vorige eeuw. Het missiecentrum van zijn geboorteplaats
Wanroij had hem een grote partij kleding gestuurd. Het aanbod werd ver
overtroffen door de vraag in zijn parochie. De armsten kregen eerst. De
kleding werd voorzien van een zacht prijsje en er werd een markt
georganiseerd. Het liep storm. Hij nam drastische maatregelen. Iedereen
mocht eerst drie kledingstukken kopen en na twee dagen opnieuw
terugkomen, zodat anderen ook de gelegenheid kregen voor zo'n
buitenkansje.
Portiunkelen
Mijn oom dacht daarbij aan de Portiuncula-aflaat. Op Allerzielendag was
moeder de H.Kerk ook gul met haar geestelijk goederen. Na enkele
schietgebeden moest men de kerk verlaten om voor een volgende serie
aflaten in aanmerking te komen.
De financiële opbrengst gaf mijn oom aan zijn zwarte buurtpastoor want
zijn schoolkinderen kwamen met honger naar school.
In zijn dankbrief aan het missiecentrum mijmert hij over een drama met
happy end in textiele aangelegenheden.
In zak en as
Hij verhaalt over zijn geliefde tweedehands jasje waarop hij een
onooglijk zwart vlekje ontdekte. Het was een zomerjasje, onverbeterlijk
van kleur en snit. Een eenknoopsjasje met als bekroning een “lokkertje”,
een driepuntig wit doekje in de borstzak.
Het vlekje leek een beetje op een naveltje dat te voorschijn treedt bij
een bikini. Dat is textiel voor dames, legt hij geduldig uit, maar dan
tweedelig. Ik citeer uit zijn dankbrief aan het missiecentrum: “Het
vlekje op mijn jasje was niet zo gemakkelijk te verwijderen als het
bijgeleverde lefdoekje. Ik zat er lelijk mee in de put, of liever
gezegd, in zak en as. Bij nadere beschouwing bleek dat kleine gaatje er
was ingebrand. Omdat ik de lelijke gewoonte heb om een pijp te roken was
de vermoedelijke dader spoedig gevonden. Daarmee was het gaatje niet
gestopt.
Spuw niet, denk aan de zondvloed
Ik stelde me gerust met de gedachte dat er grotere rampen op de wereld
gebeuren. Zo kregen we in onze schooljaren eens bezoek van de
inspecteur. Voor zijn vertrek schreef hij op het bord de vermaning:
“Speel niet met vuur. Denk aan de brand van Londen”. Nauwelijks was hij
vertrokken, schreef een medescholier er onder: “Spuw niet, denk aan de
zondvloed”. De brand van Londen heb ik niet meegemaakt, evenmin de
zondvloed, maar hun afmetingen overtroffen met zekerheid het gaatje in
mijn jas.
Raak niet in paniek
Ik pijnigde mijn hersens om dit schoonheidsvlekje te herstellen. Ik ging
pedagogisch te werk door eerst mezelf te straffen. Geen pijp die dag.
Nadenken zonder te roken werkt bij mij onproductief. Een sigaret
opgestoken en jawel de zoete inval kwam. Bij nader onderzoek leek het
brandgaatje precies op de hoogte van de knoop te zitten. Na passen en
meten bleek dat de knoop precies op het brandgaatje verzet kon worden.
De operatie heb ik meteen tot volle tevredenheid uitgevoerd. Mijn tip
is: “Raak niet in paniek. Probeer de ramp te overzien, er is wellicht
een mouw aan te passen of zoals in mijn geval een knoop voor te
verzetten”.
*** |