![]() |
|
|
|
|
Reacties: e-mail /tel. 0412-623026 |
|
Column archief
BEWEEG JE!
GEEN PLAATS
HERSTEL 'DE ZORG'
HOE ARM IS...
KOPEN OF HUREN |
AGENDA 22
IN DE
HOEK GEZET
DE WMO
VEILIGHEID
HOE ARM
IS...
Kleine incidenten ontaarden in grove agressie. Conflicten kunnen enorm uit de hand lopen. Hoe komt dat? Politiek filosoof Harry Kunneman schreef er een boek over. Het heet Voorbij het dikke ik en het heeft de ondertitel Bouwstenen voor een kritisch Humanisme. Sinds enkele jaren maken velen zich zorgen over korte lontjes, de agressiviteit en de opvliegendheid waarmee mensen elkaar te lijf gaan. Ik lees dit in het augustusnummer van Filosofie Magazine. Dat is een teken van het al te grote ego “het dikke ik”, zoals hoogleraar Harry Kunneman het noemt. Het dikke ik is onverzadigbaar. Het vreet zichzelf vol, het krijgt nooit genoeg, het stelt zichzelf altijd voorop en eist dat anderen daarvoor ruimte bieden. De opmars van het dikke ik zie je het duidelijkste in het bedrijfsleven. Topmanagers eigenen zich disproportioneel maatschappelijke middelen toe. Dat is het gevolg van het wegvallen van verticale gezagstructuren sinds de jaren zestig. Individuen zijn autonomer geworden. Ze hebben minder last van moraal die van bovenaf wordt opgelegd. Morele autoriteiten zijn aan de kant geschoven.
Concurrentie
Concurreren is de boodschap, het leven is een strijd waarin alle mogelijke middelen gebruikt worden om te winnen. De meest succesvollen weten wat goed is en bepalen dus ook de moraal van de samenleving. Relaties staan in het teken van het winnen van de sterkste, van controle over de ander. Je hebt geen diepgaand contact met mensen die je controleert. Het zijn concurrenten. Daarom is het dikke ik zo onverzadigbaar en slaat het zo om zich heen. Het dikke ik is vooral op zoek naar controle over eigen leven en de wereld daar om heen. Of je nu jezelf vijf miljoen als bonus laat uitkeren of iemand op zijn bek slaat, het effect is hetzelfde. Je zegt daarmee: “ik ben de sterkste, ik ben de baas”. De topmanager met zijn miljoenen stelt zijn financiële toekomst veilig en voorkomt dat hij een verliezer wordt in de ogen van zijn gelijken. Hij vertaalt hebben in zijn en denkt dat hij meer is als hij meer heeft. De man die de ander slaat legt met geweld zijn wil op aan zijn omgeving. De politiek versterkt deze ontwikkelingen door mensen aan te spreken op hun concurrerend vermogen. Ze tapt te veel uit hetzelfde vaatje als het dikke ik.
Op eerste kerstdag heb ik het eeuwenoude verhaal voor de zoveelste keer weer gehoord. Het verhaal wordt al 20 eeuwen ieder jaar verteld. Maria en Josef moesten naar Bethlehem voor een volkstelling. Maria zou van Jezus bevallen. Zij konden geen onderdak vinden.
“En er was geen plaats voor hen in de herberg”, zegt het oude kerstverhaal. In een grot heeft Maria het kind gebaard. Ze hebben het kind in een voerbak moeten leggen.
De herberg van onze wereld is niet berekend op vreemd volk en mensen die aan de rand van de samenleving staan. Zij biedt nog steeds geen ruimte voor minvermogenden en ‘mensen die alleen maar geld kosten’.
De engelen uit de hemel zongen dat het Kerstkind een boodschap heeft voor onze wereld. “Maak ruimte voor elkaar, houdt van elkaar, probeer iets voor elkaar te betekenen”. Alleen dan kan onze wereld leefbaar en bewoonbaar worden voor alle mensen. Aan een onbewoonbare wereld heeft niemand iets. Ook niet de mensen die alles hebben wat ze wensen. Dat is het probleem. Er is te weinig ruimte in de herberg van onze samenleving. Plek om te leven, ruimte in de geest van je medemensen, onderdak om thuis te zijn, plaats om jezelf te zijn.
De talenten
Je hebt mensen die deugen en mensen die minder deugen. De deugdelijken zijn een zegen voor onze samenleving, de anderen eerder een last, aldus het primaire gevoel van velen.
Zo simpel liggen die zaken echter niet. Het verhaal van de rentmeester en de talenten geeft een ander beeld van de werkelijkheid. Het zit in de natuur van de mensen dat ze het goede willen doen en zich willen manifesteren als de besten.
Onze wereld en samenleving zijn op veel punten zo onbewoonbaar en onleefbaar dat mensen met minder talenten geen of weinig kans krijgen om het goede te doen en goed te zijn. Het zit diep in de mens dat hij of zij het goede wil en een goed iemand moet zijn. Mensen kunnen niet anders. Als ze de kans niet krijgen om een goed iemand te zijn, zullen ze zich bij gebrek aan beter tot het minder goede moeten beperken. De wereld kan zich zelfs zozeer tegen hen keren dat zij slecht handelen en het verkeerde doen.
Het contrast
1.Naast het sportveld is een parkeerterreintje. Er staat een sportwagen van 150.000 euro, mooi gestroomlijnd, vlak en zeer laag. Het ding is een jaar oud, het moet worden ingeruild want hij is verouderd. De eigenaar beklaagt zich zonder blikken of blozen, dat de sportwagen bij inruil nog maar de helft opbrengt.
2.In een zaaltje met ouderen vraagt een 73-jarige het woord over zijn pensioen. “Ondanks het feit dat ik 50 jaar gewerkt heb, krijg ik niet meer dan 40 euro per maand bovenop mijn AOW. Ik heb geen auto, maar ik heb een nieuwe rollator nodig. Die dreigt niet meer vergoed te worden. Hoogstens wordt een tweedehands rollator voor me geregeld”. Andere ouderen branden los, over gebrek aan hulp, over tekort aan vervoer, over het alleen zijn.
Het contrast met de man met zijn sportwagen is ongelooflijk. Dit lees ik in een artikel van Prof. Dr. G.P.A.Braam, emeritus hoogleraar sociologie voor het Tijdschrift Gerontologie en Geriatrie. Dit artikel werd overgenomen in het juninummer van Pensioenbelangen, het ledenblad van de Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen.
Geen woorden maar daden
Het regeerakkoord spreekt van het “iktijdperk te lijf gaan, oog voor elkaar hebben, saamhorigheid en duurzaam met elkaar verbonden zijn”. Dat zijn nobele gedachten die in het akkoord ondersteund worden door een grote nadruk op ondernemingszin en talent.
De werkelijkheid ziet er wellicht anders uit dan de overheid denkt. Er zijn villawijken en achterstandsbuurten. Er zijn mensen met topsalarissen en mensen die in armoe leven, gezonde mensen en honderdduizenden met ziekten en gebreken. Er is een kring van gegoede beleidsmakers en grote groepen met amper mogelijkheden om mee te doen in hun samenleving.
Die tegenstellingen zijn moeilijk te overbruggen met goede voornemens. Veel eenoudergezinnen (bijstandsmoeders) en ook ouderen hebben hulp en geld nodig. Het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) becijfert dat bijna een half miljoen ouderen zonder partner en voldoende inkomen een beroep zal moeten doen op zorg. Verscholen onder mooie voornemens heeft de overheid stevig bezuinigd op (huishoudelijke) zorg. Er is achterstand bij de belastingdienst. Het toezicht van de inspectie op verzorgings- en verpleeghuizen en ziekenhuizen schiet tekort. De overheid faalt in veel opzichten. Zelfonderzoek is geboden bij politiek en overheid.
Het onderzoek God in Nederland laat zien dat katholieke ouderen steeds minder in een persoonlijke God geloven en het vooral zoeken in het spirituele. Uit dat onderzoek blijkt ook dat ouderen veelal afwijzend reageren op kerkelijke uitspraken in ethische vraagstukken.
Ouderen hebben veel meegemaakt. Het Tweede Vaticaans concilie legde in de jaren zestig veel nadruk op het eigen geweten. De pil bood tegen de achtergrond van seksuele beknotting ongekende mogelijkheden tot geboortebeperking. In reactie op het Tweede Vaticaans concilie wilde de kerk hardhandig corrigeren, hetgeen veel verzet opriep aan de basis. Wat vanuit de kerk naar de gelovigen doorkwam was vooral getekend door wat niet mocht en niet kon. Op vrome vermaningen zaten de gelovigen niet te wachten.
De kerk was niet in staat om de ouderen gelovigen tot verzoening te laten komen met zichzelf en ze extra kansen te bieden om te groeien. Veel ouderen zitten met existentiële vragen als ze terugkijken in hun leven. Ze moesten bijvoorbeeld geloven dat ze naar de verdoemenis gingen als ze op zondag niet naar de kerk gingen zonder daar spijt van te krijgen. Ze ontdekken nieuwe dingen in zichzelf en denken: “had ik dat maar eerder geweten”. Veel mensen zitten met vragen waarin de kerk mee zou moeten denken.
De beleving
Uit het genoemde onderzoek blijkt dat het geloof in een persoonlijke God sterk afneemt maar dat we er wel een grote behoefte is aan spiritualiteit. Spiritualiteit biedt ruimte aan geloofsbeleving in de meest ruime zin van het woord. Op momenten en in situaties dat het jou uitkomt en ook zonder de voorschriften en beperkingen die de kerk daaraan stelt. Als er een persoonlijke God bestaat kan iedereen Hem tegenkomen, ook buiten de kerk. Dat lijkt me een voor de hand liggende veronderstelling voor ieder individu. Het is moeilijk te geloven dat de kerk exclusieve rechten op God en zijn bestemming.
Hoewel onze samenleving veel individualistischer in elkaar steekt dan vroeger hebben mensen meer behoefte aan saamhorigheid, optrekken met elkaar en solidariteit.
De populaire spiritualiteit bevredigt de individuele behoefte, maar het is de vraag in hoeverre de verbondenheid met anderen hierin vorm kan krijgen.
Godsdienstsocioloog Van der Donk zei in de uitzending van Kruispunt over het onderzoek van God in Nederland: “Het is de grootste opdracht voor de toekomst om individualiteit met geloven te combineren”.
Het onderzoek God in Nederland laat zien dat katholieke ouderen steeds minder in een persoonlijke God geloven en het vooral zoeken in het spirituele. Dat lees ik in het juni nummer van Nestor, het ledenblad van de KBO.
“De gelovigheid in een persoonlijke God is gedaald van 68 naar 62 procent. Als je dan ziet dat onder geloven ook wordt verstaan geloven in jezelf en je trekt er dat soort geloven af dan houdt je nog 40 % gelovigen over. Dat is evenveel als de kerkelijkheid in Nederland”, zegt Leo Feijen, eindredacteur van RKK/KRO programma Kruispunt. “Voor de kerk is er dus werk aan de winkel”.
Uit hetzelfde onderzoek blijkt dat de verschillen tussen jongeren en ouderen inzake geloven opvallend klein zijn. Daarover is Leo Feijen minder verbaasd. In zijn gesprekken met kloosterlingen (allemaal mensen op leeftijd) viel het hem op dat het geheim groter werd. Je krijgt dan vragen als “is dat wel allemaal zo met die God” en “is dat wel zo met die hemel”?
Als bij kloosterlingen al de twijfels toenemen naarmate ze ouder worden, dan zal dat bij andere mensen niet minder zijn.
Waarom minder gelovigheid?
Leo Feijen denkt dat de afname van het geloof in een persoonlijke God samenhangt met de traditionele geloofsopvoeding van vroeger. De waarheden van het geloof werden massief ingegoten via de catechismus, maar dat drong bij de katholieken te weinig door tot in het hart.
Er werd geen persoonlijke vertaling aan gegeven. Als dan heel veel dingen in het katholicisme teloor gaan, dan lijdt het geloof in een persoonlijke God daar ook onder. Bovendien moet het geloof in een persoonlijke God waar gemaakt worden. Daar moet je zelf iets aan doen. De relatie met God moet onderhouden worden en dat heeft consequenties voor je levenswijze.
Veel ouderen zijn aan het inhalen wat ze in hun leven tekort kwamen. Ze hoeven niet zoveel meer dan vroeger. Ze zijn vrijer geworden van zaken waarvan ze de zin niet zagen. Die persoonlijke God kan daarbij een sta in de weg zijn, want die stelt eisen. De rituelen nemen weer toe. Kaarsjes opsteken, bidden wanneer je daar behoefte aan hebt, meedoen in een bedevaart, het zijn uitingen van medemenselijk gebeuren en sociale contacten. Dat heeft minder consequenties voor je manier van leven en nog minder voor de relatie met een persoonlijke God.
De Stichting Lezen en Schrijven zet zich in voor mensen die nauwelijks of niet kunnen lezen en schrijven. Prinses Laurentien is initiatiefneemster van de stichting. Iedereen moet de juiste kansen hebben om zo zelfstandig mogelijk te kunnen meedoen in de samenleving. Lezen, rekenen en schrijven zijn basisvoorwaarden. Dat is de overtuiging van prinses Laurentien. Ze wil zich graag samen anderen daarvoor inzetten en daarom heeft ze de
stichting opgericht. Dat lees ik in het juninummer van Nestor, het KBO ledenblad.
Onderzoek laat zien dat in de leeftijdsgroep van 50 tot 74 jaar één op de vijf mensen niet of nauwelijks kan lezen en schrijven. Dat zijn 700.000 mensen, een schrikbarend aantal in een tijd waarin informatie nogal bepalend is voor het kunnen meedoen in de samenleving. Lezen, schrijven, rekenen en digitale vaardigheden zijn basisvoorwaarden voor zelfstandigheid, eigen regie en participatie. Mensen die niet of nauwelijks kunnen lezen en schrijven worden geconfronteerd met het risico op sociaal isolement. Ze schamen zich ervoor dat ze bijna of helemaal analfabeet zijn en hebben nauwelijks toegang tot voorzieningen en hulpverlening.
Lees- en schrijfcursussen
Ook mensen die er op de lagere school, om welke redenen dan ook, niet in geslaagd zijn om te leren lezen en schrijven, kunnen het meestal wel leren. De Regionale Opleidingscentra (ROC’s) bieden overal in Nederland lees- en schrijfcursussen aan.
De grootste moeilijkheid is om mensen die niet willen weten dat ze niet kunnen lezen en schrijven en dat hun leven lang ook knap hebben weten te verbergen, weer naar school te krijgen. Ze lopen natuurlijk vast in onze samenleving, maar wie signaleert dat. Als de partner uitvalt die alle formulieren invulde, die alles las en noteerde, wie trekt er dan aan de bel.
Mensen die pas op latere leeftijd hebben leren lezen en schrijven omdat het op de lagere school niet lukte gaan de boer op om iedereen die het wil horen ervan te overtuigen hoe goed ze er aan deden het alsnog onder de knie te krijgen. Deze alfabetiseringsambassadeurs laten zien hoe zij een nieuw leven konden beginnen nadat ze hun taalachterstand hadden weggewerkt.
“Met zijn ziekenfondsbril, sportieve kleding en beleefde omgangsvormen maakt Roeland (33 jaar) een studentikoze indruk. Dat hij drie jaar geleden nog verslaafd was en dakloos, is hem niet aan te zien”. Ik lees dit in het juninummer
Van Mens tot Mens, het ledenblad van Humanitas.
Roeland kwam in financiële nood door drugs, alcohol en werkloosheid. Naast zijn verslavingen en geldproblemen had hij grote moeite met het onderhouden van sociale contacten.
Het liefst leefde hij als een kluizenaar. Toen hij het huis werd uitgezet en via crisisopvang en maatschappelijk werk bij
Humanitas Onder Dak Twente terecht kwam, wilde hij zijn vastgelopen leven weer vlot trekken. Met hulp van Humanitas zag hij kansen op verbetering.
Roeland doet mee in het Kansentraject, een gezamenlijk project van
Onder Dak Twente en de gemeente Hengelo. Hier kunnen mensen, die in de maatschappij lange tijd aan de zijlijn staan, werkervaring opdoen met behoud van uitkering.
In het Activiteitencentrum van het
Kansentraject is een werkplaats voor houtbewerking, een naaiatelier en een winkel waarin producten gemaakt en verkocht worden, nodig om een vak te leren.
Weer meedoen…
Volgens de Amerikaanse psycholoog Maslow kunnen mensen zich pas goed ontwikkelen als eerst aan hun fundamentele behoeften wordt voldaan. Allereerst hebben zij voedsel, kleding en een dak boven het hoofd nodig, ofwel een basis van bed, bad en brood.
Daarom regelde Humanitas eerst tijdelijke huisvesting voor Roeland in een sociaal pension van de Stichting. Daarna werden zijn schulden weggewerkt via
Schuldsanering.
Het werk van Humanitas lijkt op het werk van een regisseur. De cliënt is de hoofdrolspeler maar de regisseur geeft aanwijzingen en reikt hulpmiddelen aan. Heeft Humanitas niet de meest geschikte ondersteuning in huis dan worden daar anderen voor gevraagd. Voor begeleiding bij zelfstandig wonen, het regelen van gedragtherapie of meedoen aan maatschappelijke activiteiten wordt gebruik gemaakt van contacten binnen de gemeente.
Maar de regie houdt Humanitas wel. Zij accepteert Roeland zoals hij is, maar brengt de nodige structuur aan in zijn leven om hem perspectief te bieden. Maar liefst een derde van alle deelnemers aan het Kansentraject stroomt door naar een reguliere baan of opleiding. Het fundament van het succes is dat er naar de persoon gekeken wordt, welke activiteiten aansluiten op wensen, interesses en talenten.
“Bezuinigingen op boodschappenhulp jaagt ouderen het tehuis in”. Dat lees ik in het Brabants Dagblad van 9 juli. Een 80-plusser - welke plusser wel - moet er niet aan denken om tot een bejaardenhuis veroordeeld te worden, zolang hij nog een vin kan verroeren. Zij halen zelf het brood van plank in het winkelcentrum, zolang ook maar enig hulpmiddel (rollator, krukken of scootmobiel) hen daartoe in staat kan stellen. Zij houden de regie in eigen handen totdat zij erbij neervallen. Zij blijven zelfstandig wonen tegen wil en dank. Huishoudelijk hulp (thuiszorg) en persoonlijke begeleiding (o.a. boodschappendienst) kunnen hen daar heel lang bij helpen.
Maar nee, het wordt allemaal weer te duur voor dat soort mensen dat eigenlijk afgeschreven is en alleen maar geld kost. De belastingbetaler kan het niet trekken, want hij is allerminst in staat om zich voor te stellen dat hemzelf ooit dit lot zal overkomen.
Staatssecretaris Jet Bussemaker (Volksgezondheid) zoekt naarstig naar bezuinigingsposten, want het Ministerie van VWS overschrijdt zijn budget met 1,3 miljard.
Een paar honderd miljoen bezuinigen op de AWBZ (Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten) met een budget van 22 miljard, lijkt een kleinigheidje. Het schrappen in boodschappenhulp of persoonlijke begeleiding heeft echter grote gevolgen voor de eigen regie van ouderen en gehandicapten.
Van kwaad tot erger
“Juist die ondersteuning geeft kwaliteit aan de zorg”, zegt directeur Cock Vermolen van het CSO (Coördinatieorgaan Samenwerkende Ouderenorganisaties). Zo’n boodschappenhulp en persoonlijke begeleiding zijn allerminst een soort luxe. Zij stellen mensen in staat om zichzelf zolang mogelijk en zoveel mogelijk te helpen. Als je dat uit hun handen slaat, maakt je er slachtoffers van, waar een instelling voor moet zorgen. Dat maakt het allemaal veel duurder en het is bovendien ook veel onmenselijker.
“De zorg is al sterk verschraald”, zegt Frank van der Aa van de ANBO, de bond voor 50-plussers. Sinds de invoering van de WMO (Wet Maatschappelijke Ondersteuning) die door de gemeenten wordt uitgevoerd is de Thuiszorg voor 80 procent schoonmaakhulp. 20 Procent is huishoudelijke hulp, die ook oplet wat ouderen in de koelkast hebben en of ze niet vereenzamen. Die verhouding was voordien omgekeerd, dus ook veel duurder. Maar de belastingbetaler heeft voorrang. In Nederland zijn 1,5 tot 2 miljoen chronisch zieken en mensen met een beperking. Hun belangenbehartiger, de CG-raad, is allesbehalve enthousiast over de voornemens van de staatssecretaris. Haar bezuiniging zal een averechts effect hebben.
Ouderschap schept verplichtingen en verantwoordelijkheden. Dat zal iedereen in onze samenleving beamen. Aan die verantwoordelijkheid kunnen ouders zich niet onttrekken met weglopen en scheiden. Kinderen kiezen niet voor scheiden, maar ze zijn er wel de dupe van.
Na een periode van spanning en strijd, waar ze wel bij betrokken zijn maar waar ze niets aan kunnen doen, wordt door de scheiding hun hele leven overhoop gehaald.
De overheid meent dan ook dat ze voorwaarden moet scheppen om de nadelige gevolgen voor de kinderen bij scheidingen zoveel mogelijk te beperken.
Al een paar jaar doen politici hun best om iets aan de situatie van kinderen te doen in echtscheidingsgezinnen in de vorm van een verplicht ouderschapsplan. Ook het nieuwe kabinet wil dat. Minister Hirsch Ballin van Justitie en minister Rouvoet van Jeugd en Gezin verdedigden in de Tweede Kamer succesvol een wetswijziging. Vóór de scheiding moet een ouderschapsplan worden opgesteld waarin de zorg voor de kinderen worden geregeld.
Flitsscheiden is afgeschaft. Dus het huwelijk eerst omzetten in een geregistreerd partnerschap, waardoor er geen rechtszaak meer nodig is voor een de scheiding, kan niet meer.
Eerst de kinderen dan de scheiding
De intentie van de wetswijziging is: als de huwelijksboot op de klippen loopt, moeten eerst de kinderen gered worden. Dat is een prachtig streven, maar het heeft zijn beperkingen, het blijft reddingswerk. Het ouderschapsplan moet realiseerbaar zijn. Dat vraagt om een eigen aanpak, zeker bij gevallen van verslaving, mishandeling en allerlei beperkingen.
Het staat echter als een paal boven water dat goede afspraken betere garanties scheppen om inhoud te geven aan ouderschap na scheiding. In een ouderschapsplan worden taken en verantwoordelijkheden van beide ouders vastgelegd. In ieder geval staan er drie dingen in.
1.Het verdelen van de zorg- en opvoedingstaken (de omgangsregeling).
2.De manier waarop ouders elkaar informeren en raadplegen bij belangrijke kwesties.
3.Het regelen van de kinderalimentatie.
Uitgangspunt is dat beide ouders verantwoordelijk blijven voor de kinderen. In het verzoekschrift tot ontbinding van het huwelijk moet het ouderschapsplan worden opgenomen.
Ook wordt daarin vermeld waarover overeenstemming is bereikt en waarover nog niet. Ook wordt vermeld hoe de kinderen inbreng hadden bij de opstelling van het plan. Lukt het de partijen niet om een ouderschapsplan te maken, dan hakt de rechter de knopen door.
Als we het hebben over “scheiden” denken we vooral aan ouders die uit elkaar gaan. Dat is echter minder dan de halve realiteit. Ouders kiezen voor scheiden (op zijn minst één van hen). Dat geldt niet voor de kinderen. Kinderen hebben “ouderwetse” (gewoon degelijke) opvattingen over relaties en trouw. Scheiden is echt een groot risico voor hen. Voor hen kan de scheiding traumatischer zijn dan voor hun ouders. Onderzoek laat zien dat ze meer roken, drinken en blowen bij scheiden. Ook op school doen ze het minder goed.
Het overkomt hen, ze kunnen er niets aan doen, ze zijn het slachtoffer van een van de grote rampen in hun leven. Als ouders uit elkaar gaan zitten de kinderen tussen de strijdende partijen. Ze houden van hun vader én van hun moeder. Ze willen niet tussen hen kiezen, maar worden voortdurend uitgedaagd om dat wel te doen. Ze horen onverbrekelijk bij beiden. Ze kunnen niet kiezen en voelen zich daardoor schuldig. Scheiden is voor hen een verlieservaring.
Dat vraagt om een serieuze verwerking die veel tijd kost. Ze worden geconfronteerd met loyaliteitsproblemen, ongeborgenheid en labiliteit van hun woon- en leefsituatie. Kinderen leiden ernstig onder een scheiding.
Perspectief
Kinderen groeien naar volwassenheid. Ze moeten zich ontwikkelen, iemand worden in hun wereld. Hun groeibasis is de familie waarin ze geboren zijn. Zij zijn op zoek naar hun identiteit. Hun vader en moeder spelen daarin een belangrijke rol, maar de onderlinge verhoudingen zijn verstoord bij een scheiding.
Ongeveer één op de drie huwelijken eindigt in een scheiding. Bij één op de zes scheidingen zijn kinderen betrokken. In vijf jaar hebben we een miljoen exen erbij. Na vijf jaar is driekwart van hen weer onder de pannen. Ook van deze nieuwe relaties lopen er meer dan een derde weer op de klippen. Daarbij laten we andere soorten relaties als bewust ongehuwde moeders, draagmoeders, zaaddonoren en homohuwelijken nog buiten beschouwing. De familie is een lappendeken geworden. Halfbroers en –zusjes van verschillende legsels, stiefkinderen van verschillende stam, andere partners in verschillende stadia, een uiteenlopende verzameling van ooms, tantes en grootouders. Probeer er maar een touw aan vast te knopen, laat staan er een relatie mee aan te gaan. Het kan een ingewikkelde puzzel zijn om uit te vinden hoe de verhoudingen liggen en hoe je daarin kunt functioneren.
Sinds de fatale aanslag zullen veel mensen zich afvragen hoe het komt dat Pim Fortuijn voor velen uitgroeide tot een historische figuur die het geloof in de toekomst weer inhoud gaf. Die inhoud kan niet ontleend worden aan hetgeen hij gezegd en gedaan heeft. Zijn aanpak en de status die hij voerde gaven aanleiding tot spectaculaire beeldvorming en irreële verwachtingen.
Het onbehagen over de huidige geluksbeleving lijkt zo groot dat een nieuw perspectief doorbreekt zodra zich daarvoor maar iets aandient. De frustratie over “haalbaar” geluk dat toch ongelukkig uitpakt is zo hevig dat de gelukswens het wint van de barre realiteit. De behoefte aan een andere beleving van geluk en toekomst is zo sterk dat de verbeelding zijn gang gaat ondanks alle werkelijkheid.
De Franse filosoof Pascal Bruckner verzet zich in zijn boek ‘Gij zult gelukkig zijn’ tegen de plicht om gelukkig te zijn, opgelegd door geluksprofessoren, de pulpmedia. “Ik kan je niet gelukkig maken”, zegt de geluksprofessor, “je moet er zelf voor werken en als het je niet lukt, is het je eigen schuld”. Bruckner constateert: “Voor het eerst in de geschiedenis in onze samenleving zijn mensen ongelukkig, omdat ze er niet in slagen gelukkig te zijn”.
Gij zult gelukkig zijn
De grote woorden “passie, verlangen, genot” hebben hun betekenis verloren door overmatig gebruik. In 1987 constateerde Frans Kellendonk al hetzelfde voor de woorden “geloof, God en gemeenschap”. Die woorden zijn slogans geworden sinds ze door de massamedia zijn ingelijfd in de retoriek van de commercie.
Grote woorden ontlenen hun betekenis aan de strijd om het bestaan. Ze verliezen hun karakter in een wereld van oeverloos vermaak. Ze vervuilen in lamlendige overvloed. Erbij gesleept door de hortige media brokkelt hun betekenis steeds verder af. Intussen kunnen ze van alles betekenen, ook het tegenovergestelde. Sinds de jaren zestig zijn de mensen gaan denken dat ze totaal vrij waren.
“Als je eenmaal denkt dat je totaal vrij bent,” zegt Bruckner, “dan ga je al je neigingen en wensen serieus nemen. Dan begint de ellende”.
In de jaren zestig is geluk in één keer van iets geheimzinnigs tot een verplichting voor iedereen geworden. Het oude dogma verwisseld voor een nieuw dogma. De emancipatie van het individu, die in de jaren zestig begon, zorgt ervoor dat ieder de plicht heeft om gelukkig te zijn.
Aldous Huxley schreef in 1932 zijn “Brave new world”. Daarin wordt een wereld geschetst waarin ziektes en sociale conflicten zijn afgeschaft. Depressies, krankzinnigheid, eenzaamheid en psychisch lijden zijn er onbekend. Seks is er altijd goed en algemeen beschikbaar. Niemand die iets mist, want iedereen is gezond en voldaan. En toch zo benadrukt de Amerikaanse filosoof Francis Fukuyama is het geen wereld waarin de meeste mensen willen leven.
Wat is er mis is in Huxleys wereld? De mensen die erin leven, zijn niet langer “volop mens”. Het zijn gelukkige slaven met een slaafs geluk. De mogelijkheden van gentechbiologie zijn onvoorstelbaar groot, maar of je er betere mensen mee kunt realiseren, is maar zeer de vraag. Het tegendeel ligt voor de hand. Dat geldt voor de meeste utopieën. “Het streven naar een utopie maakt meer slachtoffers dan een cynisch machiavellisme”, schreef Hans Achterhuis in zijn boek “de erfenis van de utopie”. De moordenaar van Pim Fortuijn zal gedacht hebben dat zijn slachtoffer een absolute belemmering vormde voor zijn ideale wereld (zijn toekomstige heilstaat). Die utopie werd een dwangdenkbeeld.
De enige remedie is relativeren en accepteren dat geluk niet te koop is.
Op drift
Alles moet kunnen sinds de zestiger jaren. Onbeperkte vrijheid is de norm. En toch heeft alles zijn grenzen en beperkingen. Wie met zijn eigen vrijheden op de loop gaat zal geconfronteerd worden met grenzen die anderen stellen om hun vrijheden te kunnen realiseren.
Vroeger was het duidelijk hoe ieders wereld was afgebakend. Geloof, ideologie en wereldbeschouwing hadden onze samenleving doordrenkt tot in zijn wortels. Normen en waarden, rollen en patronen lagen vast en golden als een soort natuurwet.
Uit die dwangbuis hebben we ons “bevrijd”, maar daarmee verloren we ook onze zekerheden en oriëntatie. We zijn op drift en op zoek naar nieuwe perspectieven. Die normen en waarden hebben we nog wel, maar we zijn vaak het verband kwijt waarin we ze goed kunnen hanteren.
Geen enkele instantie hoeft ons geluk te belemmeren. Maar we zijn zelf verantwoordelijk hoe we onze vrijheid vorm geven. Normen en waarden laten zich niet uitdrukken in geld of economische groei. “Doe maar gewoon”, zegt Bruckner. Een geslaagd leven is een leven dat zijn erkenning vindt in de manier waarop het kennelijk loopt, en wat men, hoe bescheiden het ook is, niet zou willen ruilen voor enig ander leven.
Mobiliteit is voor iedereen vanzelfsprekend. Een gebrekkige mobiliteit is funest voor onze economie en beperkt zeer ernstig de mogelijkheden van onze samenleving en voor iedere burger in het bijzonder.
De titel van het rapport van de Rijkswaterstaat
Wegen naar de Toekomst is beslist niet te hoog gegrepen. Maar de bevindingen zijn alarmerend.
Natuurlijk hebben we in de toekomst veel meer mogelijkheden om ons virtueel te verplaatsen. We hebben meer mogelijkheden tot sociaal contact op internet. Thuis werken biedt veel mogelijkheden langs elektronische weg. Wie surft, vindt alles wat zijn hartje begeert. Toch zie je dat Nederland op termijn stil zal staan in file. Een zeer groot gedeelte van onze ruimte wordt geasfalteerd.
Milieuvervuiling vormt een bedreiging waar we nauwelijks tegen opgewassen zijn. Fijnstof eist in toenemende mate veel slachtoffers. Op veel plaatsen is het al lang onverantwoord om er nog te bouwen. Maar het aantal auto’s zal ongetwijfeld toenemen. Natuurlijk kunnen we het allemaal oplossen. Schone techniek, schone brandstof, de uitstoot van CO2 en fijnstof verminderen, het kan allemaal, maar doen we het ook? Of houden we ons bezig met prachtige dromen op weg naar de toekomst.
En mensen met beperkingen?
Mobiliteit is voor iedereen een noodzakelijke voorwaarde voor zelfstandig functioneren en een sociaal leven. Ook al bestonden bovenstaande mobiliteitsproblemen helemaal niet, dan is het voor mensen met een beperking nog een enorme tour om maatschappelijk mee te doen.
Stel je voor dat je slecht kunt bewegen, niet kunt lopen, fietsen of auto rijden. Je kunt je huishouden niet doen zonder hulpmiddelen, woningaanpassing en huishoudelijke hulp. Als je ergens heen moet, heb je een rolstoel nodig en ben je aangewezen op de taxihopper. Je mag blij zijn dat deze voorzieningen intussen beschikbaar zijn, maar probeer op die manier maar eens ergens te komen. Dan zul je zien hoe moeilijk het is en hoeveel inspanning dat vergt in vergelijking met mensen zonder beperkingen. Toch zal niemand bestrijden dat mensen met beperkingen evengoed in staat gesteld moeten worden om volledig zelfstandig te functioneren en volop mee te doen in de samenleving. Plaats dat tegen de achtergrond van een dichtslibbend en vervuilend Nederland en zijn vastlopende mobiliteit. Dan krijg je een idee hoe erg het is voor mensen met beperkingen.
Mobiliteit - je kunnen bewegen en verplaatsen - is voor ouderen een groot goed. Zelf je boodschappen doen, je dagelijkse zaken regelen en je contacten kunnen onderhouden is een belangrijk onderdeel van je zelfstandigheid en eigen regie. Die bepalen in hoge mate of en hoe je kunt meedoen in je samenleving.
Mooi als je mobiel bent per auto, fiets of te voet. Als je daarvoor een rollator, een rolstoel of speciaal vervoer voor nodig hebt, is dat verre te verkiezen boven afhankelijkheid van hulp. Daarom gaat de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (de WMO) ervan uit dat mensen met een beperking door de samenleving gecompenseerd moeten worden alsof zij geen beperking hadden.
Ook Nederland heeft het VN-verdrag getekend voor de rechten van de mens met een handicap. Dit verdrag verplicht landen ertoe mensen met een beperking zo te compenseren dat ze volledig kunnen deelnemen aan de samenleving. Wie niet kan lopen, moet zich kunnen mobiliseren. Wie niet in staat is om zijn huishouding te doen moet daartoe in staat gesteld worden met hulpmiddelen, voorzieningen en hulp. Je mobiliteit bepaalt mede je eigen regie. Je eigen regie in huis en omgeving is de basis voor je sociale leven en samenlevingsdeelname.
Stand van zaken
Het compensatiebeginsel in de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) is een enorme vooruitgang. De Gemeente stelt de burger met een beperking in staat tot samenlevingsdeelname. Wie een rolstoel, scootmobiel, hulpmiddelen, woningaanpassing, huishoudelijke hulp, e.d. nodig heeft, kan het krijgen. Er is overal collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV) van deur tot deur. Dat heeft allemaal op zijn minst twee kanten. Het is maar hoe je er tegenaan kijkt.
1.
De samenleving die naar oplossingen zoekt en de WMO uitvoert.
2.
De burger met beperkingen die gebruik moet maken van de WMO. De eerste maakt een mooie WMO en tuigt die zo goed mogelijk op. Dat is een zaak om trots op te zijn. De tweede is op de WMO aangewezen en moet het doen met alle beperkingen in de voorzieningen en diensten van de WMO. Dat blijft echt behelpen. Stel het je maar eens voor. Je kunt gewoon de auto pakken of je moet ergens heen met de Taxihopper. Je kunt nog goed je eigen huishouding doen of je bent afhankelijk van huishoudelijke hulp.
Nooit heeft de jeugd zo fanatiek naar kicks gezocht als in de jaren negentig. Er gebeuren veel ongelukken bij deze heftige toestanden. Maar achter dit “geweld en gedruis” gaat de aanpassing schuil aan de wereld van de volwassenen.
“Egocentrisme en verkennend rondhangen horen bij groei naar volwassenheid”, zegt hoogleraar jeugdstudies Wim Meeus. “Bezien vanuit ontwikkelingspsychologisch oogpunt zou ik me meer zorgen maken als ze het niet deden”.
De angst voor de ontspoorde jeugd past precies in een vorm van onzekerheid die veel ouderen plaagt. Ooit hebben ouderen de tijd meegemaakt dat zij “modern” waren en dat zij het leven goed in de greep hadden. Naarmate zij ouder worden gebeuren er meer dingen die ze niet begrijpen of waar ze niets mee kunnen.
De jeugd is het symbool van verandering en vitaliteit. Ze vertegenwoordigt de opkomst van de ongewisse nieuwe wereld en de teloorgang van de oude vertrouwde samenleving. Die onzekerheid is van alle tijden. Het verleden lijkt een oase van rust en vrede in vergelijking met het chaotische, onzekere heden en toekomst. Als je in de geschiedenis terugkijkt zie je dat het verleden anders beleefd werd dan het toen nog heden of toekomst was.
Oud en jong
“Crisisbesef is inherent aan cultuur en geschiedenis”, zegt historicus Von der Dunk in zijn bundel “Elke tijd is overgangstijd”. Waarden en tradities die ons hebben gevormd en waarop wij ons hebben georiënteerd bij de zingeving of organisatie van ons leven, veranderen of verdwijnen. Ouderen hebben vaak vooral oog voor wat verdwijnt en minder voor de opkomst van het nieuwe.
Ouderen en jongeren hebben elkaar nodig. Ze zullen zich vaak tegen elkaar afzetten om het eigen profiel scherper te stellen.
In de spiegel van de samenleving hebben ouderen veel van hun idealen zien verzanden. In de spiegel die jongeren wordt voorgehouden ontbreekt het hen te zeer aan uitdagingen voor een nieuwe toekomst.
De wegen waarop hun ouders hen zijn voorgegaan zijn plat gelopen en leiden niet tot de verrassend nieuwe perspectieven. Waarom zouden ouderen die het allemaal al gezien hebben en jongeren die het nog moeten ondervinden, elkaar niet fris van de lever zeggen wat ze van elkaar vinden. De kans dat je iets leert van iemand die er anders over denkt is groter dan van iemand die zich gedeisd houdt.
“Die jeugd van tegenwoordig”! Het was door de eeuwen al een bekende uithaal. “Om nou regelrecht te zeggen dat ze niet deugen is te veel gezegd, maar er valt nogal wat op aan te merken”.
De bekende Griekse wijsgeer Socrates zei het 2500 jaar geleden al:
“De jeugd van tegenwoordig houdt van luxe. Ze heeft slechte manieren, heeft lak aan alle gezag en praat zoals ze zou moeten werken. Jongeren spreken hun ouders tegen, kletsen in gezelschap, schrokken aan tafel, slaan hun benen over elkaar en tiranniseren hun ouders”.
Deze uitspraak van 2500 jaren geleden is of je de buurman hoort praten op een verjaardagsfeestje. “Verontrustend is het toenemend aantal jongeren dat er een ongezonde levensstijl op na houdt. Zij roken meer, gebruiken meer alcohol en drugs en doen te weinig aan lichaamsbeweging.
“Bijzondere aandacht vraagt de jeugdcriminaliteit”, zei koningin Beatrix in haar troonrede van 1997. Tot in de hoogste kringen is het doorgedrongen.
De jeugd is in gevaar. Slikken, snuiven, zuipen, de kicks en de seks. Gewelddadige computerspelletjes en gewelddadigheid met ploertendoders en vlindermessen. Je kunt een ram voor je kop krijgen als je er iets van zegt.
Doemdenken
Is dat nu doemdenken of is het de barre werkelijkheid?
De meeste jongeren doen echt hun best op school, zijn goed met hun ouders en werken hard. Ze zijn echt van plan om brave burgers worden. Een gelukkig gezinsleven is hun toekomstideaal. Tien tot vijftien procent van hen heeft of maakt problemen, zo blijkt uit een overzichtstudie van het Sociaal Cultureel Planbureau.
Ouderen hebben zich altijd al zorgen gemaakt over de toekomst van jongeren. Ze vergeten daarbij dat jongeren ook ouder en wijzer worden. “De nozem zoekt het avontuur, knokken en rellen, dan brandt zijn hart in zijn donder”, zo beschreef Jan Vrijman het in Vrij Nederland. “De rest is verveling, dat is geen leven, dat leven van de burgerlijke sleur van werk en gezin”.
Het nihilisme van de nozem was echter schone schijn. Na zijn twintigste kwam hij tot inkeer. Hij heeft intussen vaste verkering of hij is al getrouwd. Hij zit in de huiskamer en staat aan de wieg in plaats van op straat of in het café rond te hangen. Diezelfde karakteristiek geldt voor hedendaagse subculturen zoals de gabbers.
Een Nederlandse rechter kan met het huidige wetboek in de hand rekening houden met de culturele achtergrond van de verdachte. Hij kan aandacht schenken aan de persoonlijke omstandigheden - in negatieve of positieve zin - waarin het delict heeft plaatsgevonden. Noodweer en psychische overmacht kunnen invloed hebben op de toerekeningsvatbaarheid.
In landen als de Verenigde Staten, Canada en Australië is het culturele verweer in de wet vastgelegd voor verdachten die uit andere landen afkomstig zijn en nog niet lang in het nieuwe land verblijven. Er wordt rekening mee gehouden dat zij zich de wetgeving nog niet “eigen” gemaakt hebben.
Dat gaat minder ver dan de wetgeving in Turkije, waar burgers die voor moord veroordeeld worden een achtste minder celstraf krijgen als er eerwraak in het spel is. De rechter heeft in USA alleen de mógelijkheid om rekening te houden met culturele achtergronden.
De invoering van het cultureel verweer zou een toename van het aantal slachtoffers tot gevolg kunnen hebben, bijvoorbeeld bij eerwraak. Het kan ook tot rechtsongelijkheid leiden, immers een autochtoon kan zich daar niet op beroepen. Het kan zich ook tegen de verdachte keren. Bij de dodelijke schietpartij in Veghel stelde de rechter dat er uit wraak gehandeld was en hij eiste een zwaardere straf als signaal voor de toekomst.
Wet volgt
Wetten leggen vast hoe wij met elkaar en met de werkelijkheid om ons heen moeten omgaan. Daarom moeten we onze samenleving ook zo inrichten dat zij voor ons optimaal leefbaar is.
Als je naar onze gezondheidsvoorzieningen kijkt - vooral ook voor ouderen - moet je constateren dat onze overheid zwaar in gebreke blijft. Het gebrek aan maatschappelijke ondersteuning, zorg en welzijn is slechts een oppervlakteverschijnsel van een problematiek met diepere gronden. De vergrijzing in onze samenleving is een fenomeen waar door de politiek te licht aan wordt getild. Dat vraagt om nieuwe regelgeving en voorzieningen die veel geld kosten. Onze overheid rekent zich echter rijk door voorrang te geven aan grootscheepse ontwikkelingen op de wereldmarkt en ondermaats te investeren in de leefbaarheid van onze samenleving. De gezondheidszorg en het onderwijs dreigen vast te lopen. Investeren in vernieuwing en duurzaamheid is een oude leuze die opnieuw inhoud moet krijgen voor een betere toekomst.
Als de werkelijkheid in onze wereld verandert, zullen de normen en waarden - en ook de wetgeving en het voorzieningenpatroon - zich daaraan aanpassen. Het omgekeerde geldt ook. Veel ontwikkelingsmogelijkheden zullen nooit plaats vinden omdat ze al te zeer indruisen tegen onze opvattingen - normen en waarden - over wat wij willen. Veel moorden zullen nooit begaan worden omdat wij vinden dat het niet kan. Er zijn echter heel veel mensen gedood in oorlogen omdat we vonden dat het goed en nodig was. De overwinnaars werden als helden ten voorbeeld gesteld. Hoe meer dood en verderf zij zaaiden, hoe groter helden.
Toen de industrie zijn intrede deed, kregen geleidelijk nieuwe voorzieningen vorm. Onderwijs en de algemene leerplicht kwamen van de grond. Immers wanneer de arbeiders geen vak leren, kunnen ze geen productie leveren. Als een arbeider ziek wordt, moet hij zo gauw mogelijk beter gemaakt worden.
Daar staat tegenover dat ook de werknemer zijn eisen stelt zodra hij onmisbaar is. Hij wil niet zo maar worden afgedankt als hij ziek, werkloos of oud wordt. Zo ontstaan er op basis van waarden en normen, wetten en voorzieningen voor ziekte, werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en pensioen. Normen en wetten om goed te kunnen leven en samenleven.
Onze wereld verandert
Toen de trein en de auto onze wereld binnenreden, moesten onze verkeersregels worden aangepast om niet met zijn allen te verongelukken. Als blijkt dat we al jaren roofbouw plegen op natuur en milieu, zullen we maatregelen moeten nemen om niet vergiftigd te worden en om onze wereld leefbaar te houden voor onze kinderen. Als informatica doordringt tot in de laatste vezel van ons leven en onze wereld, zullen we ons privéleven wettelijk moeten beschermen. Als terroristen de torens van het WTC kunnen laten instorten, zullen we adequate veiligheidsmaatregelen moeten nemen om dat te voorkomen. Wetgeving en voorzieningen sluiten aan op sociologische ontwikkelingen in onze samenleving. In 2015 kent Nederland drie miljoen inwoners van buitenlandse afkomst. Deze mensen hebben deels andere waarden en normen. Welke betekenis heeft dit gegeven voor onze normen en wetten? Wij krijgen met een realiteit te doen die mede uit deze culturen stamt. “Moord is moord”, zeggen de geleerden, maar als je in onze eigen geschiedenis kijkt en je ziet de moordpartijen, voel je de grond onder deze stelling wegzakken.
Het lukt de overheid niet om de voorzieningen redelijk te verdelen over inkomensgroepen.
De overheid gebruikt daar allerlei regelingen voor. Maar ook daarbij zie je dat degenen die er het meest behoefte aan hebben er relatief het minst van profiteren. Het rapport
Profijt van de overheid
van het SCP (Sociaal Cultureel Planbureau) laat dit zien.
Het Rijk geeft met het oog op participatiemogelijkheden jaarlijks 32 miljard euro uit aan ondersteuning van voorzieningen. De armste 20 procent van de huishoudens krijgt precies de juiste tegemoetkoming. De middengroepen krijgen per 200 tot 400 euro te weinig en de hoogste inkomensgroep krijgt gemiddeld 1100 euro te veel.
Op het gebied van Volkshuisvesting krijgen de rijke huishoudens een miljard euro meer financiële steun dan de bedoeling was. Dat zit hen vooral in het huurwaardeforfait van het
eigen huis. En dan gaan we nog even voorbij aan de hypotheekaftrek. Als die wordt meegeteld is het voordeel van de rijkste huishoudens 6 miljard euro.
Het profijt van de hogere inkomens bij voorzieningen die de toegankelijkheid van onderwijs, cultuur en recreatie bevorderen is driemaal zo hoog dan voor dertig procent van de lagere inkomens. Dat komt ook omdat de hogere inkomens de weg naar de voorzieningen beter weten te vinden.
Sleutelen
Op allerlei wijze probeert de overheid haar burgers tegemoet te komen om hun participatie te bevorderen. Wie een eigen huis heeft moet zijn hypotheek kunnen afbetalen. Wie zijn huur niet kan betalen krijgt huursubsidie. Wie zwerft
moet opvang geboden worden. Wie zijn studie niet kan betalen krijgt kinderbijslag of een studiebeurs.
Voor al die overheidsbijdragen geldt: Ze zijn nodig voor de burgers om in de samenleving te kunnen deelnemen. Immers alle burgers, zowel rijk als arm, zijn gelijkwaardig. Dit gelijkheidsbeginsel is het motief voor de overheidsbijdragen.
Het gelijkheidsbeginsel wordt gemakkelijk verder doorgetrokken. Als armen kinderbijslag of AOW krijgen, waarom rijken dan niet? Huursubsidie voor huurders, dan ook hypotheekaftrek voor de eigen woning? Een studiebeurs voor lage inkomens, dan ook voor hoge inkomens? Al die voorzieningen moeten betaald worden. Daar is te weinig geld voor. Dus eigen bijdragen voor iedereen. De lage inkomens komen tekort om te kunnen participeren. Dus tegemoetkomingen via de bijzondere bijstand, minimabeleid en belastingteruggave. Dat is zo ingewikkeld dat zeker de lagere inkomens in het oerwoud van regeltjes verdwalen. Waar blijft de solidariteit?
Iedereen vindt dat in tijden van recessie de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen. Daar steekt de overtuiging achter dat mensen die onvoldoende in staat zijn om in hun eigen inkomen te voorzien, toch volwaardig in hun samenleving moeten kunnen deelnemen. Maar in de praktijk gebeurt steevast het omgekeerde”, zegt de Volkskrant in zijn essay
Verzorgingsstaat van 4 september 2004. Hoe komt dat? “Niet de burger, maar de voorzieningen staan centraal”, denkt men in de Volkskrant.
De koopkracht van mensen met een uitkering is de laatste vijftien jaar met 16 procent achtergebleven bij die van mensen met een inkomen uit arbeid. Ook het minimumloon bleef flink achter. In 1973 was het sociaal minimum ongeveer gelijk aan het bruto nationaal inkomen per hoofd van de bevolking. In de afgelopen dertig jaar is dat gezakt naar een niveau van nog maar 60 procent. Van een eerlijke inkomensverdeling kwam dus niet veel terecht.
Waarom hebben juist de lagere inkomensgroepen het minste van de verzorgingsstaat geprofiteerd ?
Gelijkheidsdenken
We vinden dat iedereen mee moet kunnen doen in zijn samenleving, maar we vinden ook dat iedereen in gelijke mate profijt moet hebben van de verzorgingsstaat. Dus de AOW, ANW, WIA, AWBZ, WW, ZW, kinderbijslag, bijzondere bijstand, studiefinanciering etc. gelden voor iedereen in gelijke mate. Voor arm en rijk is de AOW en de kinderbijslag even hoog.
Het scheppen van “gelijke arrangementen” in de verzorgingsstaat leidde er toe dat de burgers steeds meer beroep deden op deze voorzieningen en ook dat deze voorzieningen steeds meer werden aangepast en uitgebreid. Het toenemende gebruik van de WW en de WAO in de jaren tachtig ligt ons nog vers in het geheugen. Te weinig werd de vraag gesteld of elke burger in voldoende mate zijn eigen verantwoordelijkheid in zijn samenleving waar maakte.
Wat bedoeld werd als een vorm van solidariteit en rechtvaardige verdeling leidde in de praktijk tot overgebruik en ook tot misbruik.
De uitbreiding van het voorzieningenniveau, ook voor mensen die daar niet van afhankelijk zijn om in de samenleving deel te nemen, bereikt zijn grens als de middelen ter bekostiging gaan ontbreken. Burgers die voor hun participatie afhankelijk zijn van deze voorzieningen, kunnen er niet over beschikken, want anderen hebben er ook recht op. Dus bezuinigen! Ouderen moeten de thuiszorg opzeggen omdat ze de eigen bijdrage niet kunnen betalen.
|